Tuesday, March 5, 2013

Allemaal India…

Het volgende verhaal is echt gebeurd. En het is zo absurd, dat iedereen die ik er daarna over vertelde mij steeds weer aankeek met zo’n blik van: ‘Vriend, die heb je vaker verteld… en hij is steeds mooier geworden’. Echter, het is precies zo gegaan als ik het hier opschrijf. Er is geen woord aan gelogen.

Eind jaren negentig werkte ik net als steward. Een van mijn eerste gedenkwaardige reizen was een zevendaagse trip naar Delhi, India. Ik was nog nooit in India geweest en ik kreeg de waarschuwing die elke eersteling krijgt; India is ‘lastig’. De armoede, de smerigheid, de hectiek, de straatkinderen. Alles komt tegelijk op je af. En daar nog eens doorheen meanderend die fatalistische spiritualiteit van het hindoeisme, met zijn kastensysteem als genante uitwas daarvan.  Nou, ik vond India inderdaad lastig, Later wende ik eraan.
Die eerste keer besloot ik met twee andere collega’s de ochtendtrein naar Agra te nemen om de Taj Mahal te bezoeken. Een van de zeven wereldwonderen. We moesten allemachtig vroeg op -  vier uur  - maar deze treinreis was onvergetelijk. We reden, met zo’n ouderwetse Engelse trein, in een heel rustig tempo door de vroege korenvelden van het Indiase platteland en alles was zoals ik het me ooit voorstelde bij het kijken naar films als Passage to India of Ghandi. In India hangt overal en altijd een naar houtskool en wierook ruikende lichte mist in de lucht. Het is een milde waas, die, beschenen door de ochtendzon, de straten en velden een zacht-gouden glans geeft. Ik was overweldigd en stil en zou die geuren - en ook kleuren - van India nooit meer vergeten.  Nog steeds wanneer ik India bezoek overvalt mij het gevoel van die eerste keer.
Maar... ook een glimlach om wat me toen is overkomen.

We kwamen vroeg aan in Agra. Het kleine dorpsplein bestond uit niet meer dan wat stoffige huisjes, wat lokale ochtenddrukte en hier en daar een vroege fruitverkoper. Niets wees erop dat hier, ergens achter de hoge bomen en armoedige huizen, die megalomane ijspunt, de Taj Mahal, zou kunnen verrijzen. Of het moest het opvallend grote Engelse stationsgebouw zijn; een ouderwets karkas, dat overbodig afstak tegen tegen de intimiteit van het kleine pleintje, waar zich tussen juten balen en oude houten karren het onoverzichtelijke geharrewar van marktkoopmannen en andere vage figuren afspeelde.
Afijn, wij hulpeloos dat stationsgebouw uit en een beetje vraagtekenachtig om ons heen kijken. Nou ja, dat hoef je daar dus niet lang te doen. Binnen twee seconde stonden er vijftien mannen om ons heen, die ons met donkere ogen afwachtend stonden aan te kijken. Taxi? Twee donkere ogen met dito grote snor stonden het dichtstbij. Die kozen we.
Nou hadden wij, om redenen die ik vergeten ben, in Delhi slechts enkele-reis tickets kunnen krijgen en bedachten dat we eerst kaartjes voor de terugreis wilden kopen. Dus dat zeiden wij tegen de donkere ogen. Of hij misschien even kon wachten. De man keek ons echter gedecideerd aan.
‘Traintickets?’ zei hij, in dat typisch Indiase verstopte-neus-Engels. ‘Come with me’.
Wat ons precies bezielde weet ik niet meer - het is lang geleden - maar wij stapten in, in zijn riksja. Dat was onlogisch want het stationsgebouw was op loopafstand. Bovendien reed hij, terwijl we elkaar nog wat bedenkelijk aankeken, opeens de andere kant uit, het dorp in.
Wat toen gebeurde zal ik nooit meer vergeten.
Dat de man van het stationsgebouw wegreed was al vreemd, dat hij maar bleef doorrijden ook, maar op een gegeven moment werd het ons duidelijk dat de man het dorp aan de andere kant gewoon weer uit reed! De landerijen in. En hij maar vriendelijk lachend opzij kijken als een van ons iets probeerde te vragen. Stoffige huisjes maakten plaats voor hier en daar een boerderij; brede lanen met bomen weken voor zanderige weggetjes en het werd steeds stiller. Het was toen dat ik mij begon te realiseren dat er een dijk van een mooi verhaal zat aan te komen. Ik was benieuwd hoever de man zou durven gaan met wat hij dan ook van plan was. Want hier tussen het eenzame koren ging van zijn levensdagen geen treinticketloket plaatsvinden. No way.
Dat gevoel werd bevestigd toen de riksja stopte voor een groot erf, met een huis en een gammele schuur ernaast. Onze chauffeur stapte uit en draaide zich naar ons om.
‘Tickets’.
Terwijl wij elkaar lacherig, maar ook zo’n beetje totaal verloren aankeken, liep de man vooruit naar de schuur, opende de half kapotte deur en verdween. Het was stil om ons heen. Daar stonden we, op een dor en stoffig erf midden in het verlaten boeren landschap van India. Hier en daar het geluid van onbekende ochtendvogels en dat was het dan. We hoorde wat gerommel in de schuur en daar kwam onze man weer naar buiten, met een houten bord op vier poten. Hij klapte het uit en plantte het naast de deur van de schuur.
‘Tickets’ zei de man en keek ons nu wat serieuzer aan.
Wij hadden even geen woorden, want op het bord stond, in klungelige handgeschreven letters, maar wel overduidelijk, het volgende woord: traintickets. Ik denk dat we toen drie hetzelfde voelde: 'Dit is er een. Godsamme, wat er hierna ook gebeurt, dit is er een! Een authentiek, onvervalst 'Sterk Verhaal', voor bij alle, alle en alle toekomstige crew-borrels, waar ook ter wereld, multi-recyclebaar, instant succes, gratis bier. Een knaller, beste mensen!'
We werden genaaid, maar op zo’n doorzichtige manier, dat ik me bijna schuldig ging voelen tegenover deze man. Hij keek ons, niet geremd door enige twijfel aan het succes van zijn opzet, met een zelfverzekerde blik aan en ik onderdrukte een proest. Ik zou toch niet nu, in ‘his finest hour’, zijn show gaan bederven? En die van ons, niet te vergeten! Ik had het ongetwijfeld luttele bedrag er graag voor over om te zien hoe hij zich hieruit ging redden. Dat hem dat uiteindelijk inderdaad ging lukken kon ik nog niet weten. En zeker niet de manier waarop.
We stapten de schuur in.
De ruimte was helemaal leeg, op een houten tafeltje en een stoel na. Op het tafeltje stond een blikken doosje. De man ging op de stoel zitten en keek ons aan.
‘How many tickets?’
Een vrij onlogische vraag. Een van ons zei:
’Three. How much?’ (prima om genaaid te worden, maar dan wel goedkoop graag).
De man keek ons alle drie aan, aarzelde even, maar trok hem handig door met het noemen van een bedrag dat, afgaande op wat wij in Delhi hadden betaald, veel te veel was, maar waar je in Nederland nog niet eens het stationsgebouw mee uitkwam. Dit was India. Ik betaalde en de man opende het doosje. In de doos zaten…tickets. Jawel hoor, dat had ie ook geregeld! Kleine licht-groene papieren strips, slecht te lezen, maar wel voorgeprint. Of de man doorhad, dat wij hem doorhadden weet ik niet, maar hij reageerde niet op ons gegrinnik. Blijkbaar kennen Indiers ironie niet. bless them. Of hij nam dat op de koop toe; handel is immers handel. Want hier komen per jaar God mag weten hoeveel buitenlandse toeristen en hij hoefde er maar een stuk of wat per dag naar zijn schuurtje te lokken – waar ze, overgeleverd aan hem en op goeie afstand van het station, toch wel betaalden – en hij had er een niet onredelijke bijverdienste bij.
Teveel domme toeristen hadden de man wellicht lui gemaakt, want alsof de hele onderneming niet al doorzichtig genoeg was, pakte hij, toen we naar buiten liepen, het bord op, zette het weer in de schuur, deed de deur dicht en liep ons voor naar de riksja. Het erf was weer het erf en de schuur weer de schuur. Ongegeneerd.
De zon trok omhoog langs de kim en de dag begon voorzichtig.

We reden naar het zevende wereldwonder; de Taj Mahal.  Een verhaal apart. Ga daar ooit heen en vergeet dan door al je ontroering en betovering niet, via de buitentransen van dit prachtige gebouw, naar de achterkant te lopen. Daar komt bijna niemand en wordt je zacht geschokt door de mooiste rivierdelta die je ooit zult zien; mistig, Indiaas, dromerig en intens. Niet vergeten, hoor!

Toen we weer buiten het terrein kwamen, stond onze chauffeur, annex ticketverkoper – yeah sure – annex grappenmaker ons tot onze verbazing weer op te wachten. Dat hadden we niet verwacht. Eens kijken wat hij nou weer voor ons in petto had! En ach, als hij ons weer probeerde af te zetten waren we wederom niet meer dan het luttele bedrag van vrijwel niets kwijt. Na veel dubieuze suggesties voor ander ‘gesubsidieerd’ toeristisch vermaak, kozen wij voor een ‘eigen’ moskee en restaurant, waarna hij ons wat grommig terugbracht naar het station. Daar, te midden van de strak kijkende donkere ogen-kermis en de nu, tijdens de dag, toegenomen hectiek, had hij opeens zijn brede glimlach teruggevonden en werden we grapjes-makend voor het stationsplein afgezet. Ik vermoedde in deze plotselinge verandering van zijn humeur geen enkele andere opzet, dan het zonder verdenking onzerzijds kunnen omschakelen naar een soort accurate besluitvaardigheid, welke natuurlijk nodig was om hem zo snel mogelijk te peren. We werden vlotjes op de opgelopen schade gewezen en na betaling wenste hij ons een prettige reis terug naar Delhi. Dat laatste vond ik humor. Net iets te rap was hij weg.
Bij het loket vroegen we om drie tickets naar Delhi en enigszins gegeneerd lieten we de drie kaartjes van onze chauffeur zien om te vragen of dit wel vaker gebeurde. De man keek ernaar en glimlachte breed. Ik voelde me beschaamd, omdat ik hem niet wilde laten weten dat het ons eigenlijk niet kon schelen; we hadden net eerste rang gezeten bij de goedkoopste en leukste comedy-show van het jaar. Ik wilde niet zijn cultuur beledigen, dus nam ik uit beleefdheid maar de rol van onnozele toerist op me.
Maar ik had me totaal vergist.
‘Ah, u heeft al drie kaartjes, zie ik. Waarom wilt u er nog drie?’

Ik keek de man perplex aan. Die had ik even niet zien aankomen. De man keek ons met dezelfde vanzelfsprekende vriendelijkheid aan als de taxichauffeur op het zanderige erf had gedaan en even dacht ik dat het z’n broer zou kunnen zijn.
Het is echt gebeurd en niet gelogen. We hebben aan de randen van een stoffig dorp, midden in het verlaten Indiase platteland, in een boerenschuur, met een houten tafel en een stoel…aan het meest tijdelijke treinkaartjesloket gestaan dat ik ooit heb bezocht. Daar, tussen het stof en de beesten, hebben we treinkaartjes voor onze terugreis naar Delhi gekocht, omdat we stomtoevallig tegen de juiste riksja-chauffeur aanliepen.
Wat een land.
 En ik heb tot op de dag van vandaag geen idee wat nou de logica achter dit hele gebeuren is geweest anders dan dat in India het idee van het ‘familiebedrijf’ aan een, laten we zeggen, verregaande flexibiliteit onderhevig is.

Later in de trein zat ik recht tegenover een oude Indier met tulband, grijze baard, lotushouding, diep-inzichtelijke blik en anorexia. De hele cliché. De man heeft mij de helft van de drie uur durende reis met een ondefinieerbaar rustige blik aangekeken; een situatie die mij helemaal stil, verward en blozend achterliet, toen hij uitstapte. Ook dit is echt gebeurd.
Maar ik heb ook melaatse kinderen zien bedelen. Met watervoeten, zo groot als een pompoen en expres afgebroken armen. Dat haalt namelijk meer geld op.

Allemaal India..

Tuesday, February 12, 2013

Mala

Ik ken geen andere plak op de aardbol waar de menselijke soort zich zo ambivalent gedraagt. Daar, geklemd tussen de geurende bergen en de stille oceaan worden fantastische dromen gerealiseerd, met persoonlijke nachtmerries als resultaat. Daar worden spirituele levensreizen gevisualiseerd door mensen die ten ondergaan aan zichzelf. Daar dringt alles wat de mens schitterend en gruwelijk maakt diep in de harde aarde van de woestijngrond door en drijft de stad tot waanzin en bezinning tegelijk. Letterlijk tegelijk. Deze stad is mijn grote liefde en ik zal haar even oppervlakkige als diepzinnige visualisaties altijd blijven eren, juist vanwege die mysterieuze ambivalentie.

 Ik weet het niet meer precies, maar ik ontmoette haar op een zonnige dag. En daarmee is eigenlijk alles meteen gezegd. Toen ik uitstapte en aanbelde bij de grote villa, voelde ik me vreemd en rustig. Nergens anders dan in deze stad kon de deur van een met Griekse zuilen omgeven woning opengedaan worden door een vrouw in een knal-paars joggingpak en knal-paarse nep-bloemen in het haar. 
De vrouw glimlachte en zei met een roestige sherry-stem:
‘Hi, I'm Jacky, nice to meet you Ingmar. She’s waiting for you. Come in please'.
En zo startte een van de meest ongewone vriendschappen die ik ooit in mijn leven heb gehad. Een bijzondere band met iemand die ik niet meer dan ongeveer tien keer heb ontmoet. Iemand die ik nog wel eens liefdevol in de ogen zou willen kijken, als ze niet overleden was. Iemand die ik om creatieve raad zou willen vragen; had ik die kans nog maar eens. Iemand die ik graag nog eens vertwijfeld in haar keuken zou willen zien staan, omdat ze nog geen kop koffie kon zetten en een poging daartoe, elke keer als ik op bezoek kwam, zo charmant verknalde. Een vrouw die zo broos en oud, maar ook zo lekker warm en intens aanvoelde als ik haar oude lijf, na weer een half jaar of langer, in mijn armen omsloot. Deze vrouw, met wie ik een niet te verklaren liefdesrelatie had, zonder dat we geliefden waren. Bij wiens latere huis ik stond, toen het door een bosbrand tot op de laatste steen verkoold was. Ze was toen al een tijd dood en ik stond daar met haar beste vriendin. Ik zag tussen het puin allemaal gesmolten en gebroken herinneringen en voelde een steek in mijn lijf, omdat ik voor het eerst ervoer, hoezeer ik haar miste. En ik mis haar nog steeds. Niet elke dag, maar vaak genoeg. En dan is het gevoel zo diep dat ik niet begrijp waarom juist wij een hele planeet tussen ons moesten hebben.
Iemand echt missen met heel je lijf is zo onvermijdelijk echt.

Ik liep Jacky achterna de villa in. Ik kwam meteen in de huiskamer. Er was geen hal. Ik keek tegen een enorm raam aan met daarachter in de tuin een zwembad. Rechts was de huiskamer, links een trap omhoog en boven mij, langs de hele linker zijwand, kon ik over een balustrade heen de eerste verdieping zien. Voor mij, op een verhoging in de ruimte stond een enorme lange eettafel, met een kakofonie aan porselein, glazen plantenbakken en andere getuigen van een rijk sociaal leven. Er lag overal hoogpolig tapijt. Later, toen ik er vaker kwam en bleef slapen, ontdekte ik dat dit tapijt in elke ruimte in het huis - inclusief het toilet! - aanwezig was. Van dezelfde nogal 'wollige' kwaliteit waren de stoelen, de diepe banken en zo ongeveer al het andere meubilair. Er stonden veel te gouden vitrinekasten, volgepropt met allerlei kitscherige beeldjes – veel engelen -  en er was een echte, onvervalste Seventies-bakstenen muur. Nog nooit had ik zo veel lelijke objecten gezien, die ook nog eens niet bij elkaar pasten. Ik zonk weg in een bank, vroeg me af wat ik hier in godsnaam deed en wachtte de gebeurtenissen gespannen af. Toen ik besloten had dat dit niet een huis van een bewoonster, maar van een verzamelaar was, hoorde ik rechts van mij die lage, wat sensuele, maar zeer heldere stem:
‘Hello Ingmar. Finally'.
Ik keek om en zag halverwege op de trap een oude dame. Ze moest zo rond de zeventig zijn. Ze had een azuurblauw broekpak aan dat haar iets frivools gaf. Wat ook meteen opviel was haar grote bos krullen en haar zware, professioneel aangebrachte make-up. Ze keek me niet anders dan koket aan, schoof een been naar voren, plaatste haar schouders subtiel naar achter en toverde vervolgens de meest ontwapenende glimlach tevoorschijn die je maar kunt bedenken.
Ja, daar stond nou een echte diva.
Het was  het jaar 2000, ik was  in Valley Spring Lane, Studio city, North Hollywood. De dame was Mala Powers en wij stonden op het punt vrienden voor het leven te worden.
   
Mala wist op dat moment niet beter dan dat ik haar voor het eerst ontmoette. Wat ik niet durfde te vertellen, ook niet in al die jaren daarna, is dat het eigenlijk een tweede ontmoeting was. Er was voor mij een eerste keer geweest. En die was, op zijn zachts gezegd, ‘een beetje genant’.

 Het begon allemaal met een passie. En die passie mondde in een dapper initiatief. Ik ging immigreren naar de Verenigde Staten en besloot dat in 1999. Ik kende, door mijn werk bij KLM, de VS pas twee jaar. Maar ik was in die korte tijd volledig verliefd geworden op dat duistere, agressieve, maar ook hoopvolle en inspirerende land. Wat een wrijving, wat een beweging! Daar wilde ik wonen! Ik klom in de pen en schreef een stuk of twintig middelbare scholen aan de oostkust een sollicitatiebrief. Mijn oude beroep van muziekleraar leek mij het meest geschikte werk om mee te beginnen als ik daar eenmaal was. Blijkbaar had ik met mijn gepassioneerde brieven een snaar geraakt, want een paar weken later kreeg ik van maar liefst zeven scholen een uitnodiging voor een gesprek. Naast scholen had ik ook brieven gestuurd naar (muziek)theatergezelschappen. Ik hoopte namelijk dat ik naast het lesgeven ook op termijn als componist en musicalmaker werkzaam zou kunnen zijn. Wat me uiteindelijk allemaal overkomen is, is een ander verhaal.
Feit is dat ik op een goede dag post kreeg uit de VS. Ik was daar aan gewend, maar deze keer kwam de afzender uit Los Angeles. Ik had daar wel brieven heen gestuurd, maar meer om mijn netwerk op te zetten en ik werd nieuwsgierig; helemaal uit LA..? Ik opende de langwerpige brief. Hij was in een keurig handschrift geschreven en kwam van ene Jacky. Het drong allemaal nog niet zo goed tot mij door wat er eigenlijk in die brief stond en ik moest hem drie maal overlezen voor ik het wilde geloven. Het kwam hierop neer: Jacky was de persoonlijke assistent van een dame, genaamd Mala Powers. Deze had via een vriend mijn brief aan een muziektheatergezelschap in Pasadena (LA) in handen gekregen. Mijn voornemen om naar de VS te immigreren en de bevlogen woorden over dat land, hadden haar interesse gewekt. Zonder ook maar een woord te zeggen over wie zij was en een kleine voetnoot betreffende het ongewone karakter van haar brief, nodigde zij mij, met dezelfde praktische vanzelfsprekendheid die ik later zo goed van haar zou leren kennen, uit om tijdens de eerste de beste trip die ik met KLM naar LA zou maken bij haar langs te komen; ‘om eens te praten’. Dat was het. Einde brief.
Ik was totaal overdonderd en keek meteen op internet wie die Mala Powers nou eigenlijk was. Wel, zij was niet bepaald een onbekende. Zij bleek de 'Queen of the B-movie' te zijn. Een titel met een negatief randje, maar dat bleek schijn toen ik de ongelofelijke lijst films zag – met grote namen -  waarin ze vanaf de veertiger jaren had gespeeld. Zeker, op een aantal na niet zulke bekende films, maar toch een indrukwekkende lijst. Waar ze echter vooral bekendheid door had, was haar werk als acteerleraar. Zij was de grote promotor van de onderdehand overleden Michael Checkhov; een van origine Russische toneelspeler/regisseur, leerling van Stanislavski. die bekend was geworden vanwege de ontwikkeling van een acteertechniek, die nogal haaks op die van zijn oude mentor stond. Maar hij was – en is – bekend bij een klein, maar selecte groep acteurs, onder wie vroeger Marilyn Monroe, maar ook Jack Nickolson, Clint Eastwood en vooral Johnny Depp. Mala had bij zijn dood de fakkel van haar vriend overgenomen en gaf nu, op zeventigjarige leeftijd, op zo’n beetje elke bekende universiteit in de VS, les in de Checkhov-acteertechniek.  Deze Grand Dame – toen ze stierf in 2007 was dat nieuws – nodigde een haar totaal onbekende Nederlander, op basis van wat gepassioneerde bespiegelingen over haar land, bij haar uit in haar villa in Noord-Hollywood.

Nou bleek het voor mij niet makkelijk om een werkvlucht naar LA te krijgen, maar wel naar het zeshonderd mijl hoger gelegen San Franscisco. En die reis viel precies samen met een voordracht over Checkhov, die Mala zou houden in Pasadena. Dit was mijn kans om haar te ontmoeten. Ik liet niet weten dat ik kwam en zou haar verrassen met mijn bezoek!
Toen ik in San Francisco aankwam, was ik stiknerveus, sliep kort en slecht en nam de volgende dag een ochtendvlucht naar LA, huurde een auto, reed naar een van de vele groezelige luchthaven-motels, checkte in, gooide mijn spullen neer en vertrok naar Pasadena. Ik kon niet wachten. maar ik was ook heel erg moe. Ik had een jetleg van negen uur en had vanaf mijn vertrek uit Nederland eigenlijk niet echt meer goede rust gehad. Toen ik veel te vroeg in Pasadena aankwam en als een bangig schooljongetje de plek had gevonden waar de voordracht zou zijn die avond, moest ik nog een aantal uren doorbrengen. Old Pasadena is weliswaar een van die vele onbekende juweeltjes in het door de meeste mensen als onaantrekkelijk beschouwde LA, maar veel meer dan twee grote avenues, met daarom heen een paar schitterend verbouwde pakhuizen en leuke restaurants, is het niet. Klein maar fijn.. en dat in LA. Na wat shoppen, hapje eten en foeteren voor een dichte cinema – omdat ik daar stiekem even had willen slapen - kon ik niet meer op mijn poten staan van vermoeidheid. En toen ik uiteindelijk 's avonds om acht uur aanwezig was voor de voordracht – het was in Nederland vijf uur 's ochtends - was ik een wrak.
Ik had in de zaal een plekje achterin genomen. Zoals gezegd, Mala wist niet dat ik kwam en ze wist ook niet hoe ik eruit zag. Maar ik wilde toch niet de aandacht op mij vestigen, want ik had mijn lijf totaal niet meer onder controle.
Toen Mala, met een bevriende filmproducent, het podium betrad, was ik onder de indruk. Daar stonden twee Hollywood 'die-hards'. Dat had ik nog nooit meegemaakt. De voordracht was ongetwijfeld interessant, maar ik heb er die avond niets van meegekregen, want al na tien minuten merkte ik dat mijn hoofd gevaarlijk vaak opzij zakte. Soms werd ik opeens weer wakker.  Ik kon niet meer. Wat een typische Ingmar-actie was dit nou toch weer; volledig mijn grenzen voorbij uit enthousiasme. Ik zat daar, helemaal in LA, ver van huis, vagelijk misselijk door de vermoeidheid, in een onbekend gebouw, om vijf uur in de ochtend Nederlandse tijd, in een mij totaal onbekend dorp in LA, naar een Hollywood-icoon te luisteren, die ik daarna ook nog eens even wilde ontmoeten en waarop ik een goede indruk op wilde maken. Maar ik zag er niet uit en had die middag al gemerkt dat ik stotterde door de jetleg. Hoe moest dat dan zo meteen, wanneer ik deze Mala Powers eindelijk zou ontmoeten? Wellicht zou ze met mij iets willen gaan drinken, met de hoge verwachting eindelijk deze brievenschrijver uit Nederland te spreken, van wiens woorden ze zo onder de indruk was. En ik…? Ik zou niet eens overeind kunnen blijven zitten, laat staan dat iets samenhangends uit mijn mond zou komen.
Kortom, de moed zakte mij in de schoenen. 

Hoe ik de voordracht ben doorgekomen weet ik niet meer. Ik denk dat ik in mijn eigen been kneep om wakker te blijven. Maar ik nam een besluit, dat voor dat moment voelde als een vreselijke afgang, maar wat later bleek verstandig te zijn.
Ik droop af
Ik was helemaal naar San Francisco gereisd, had een vliegtuig genomen naar LA, een auto gehuurd, een motel gescoord en was in twee uur naar Pasadena gereden, had daar een middag en een avond eigenlijk een soort van zitten wachten, had twee uur mijn gesloopte lijf wakker gehouden bij een voordracht…om daar te besluiten de persoon waar ik voor gekomen was en die ik eindelijk op een paar meter afstand van mij in levende lijve zag staan en met wie ik op het punt stond handen te schudden… niet aan te spreken en weer terug te keren naar Nederland!
Toen de voordracht was afgelopen, probeerde ik zo naturel mogelijk naar buiten te glippen, waarbij ik nota bene vlak langs Mala moest lopen. Sommige mensen keken mij aan, want iedereen kende elkaar hier, maar niemand zei gelukkig iets. Eenmaal buiten ontnuchterde de avondlucht mij en kwam ik tot mijn zinnen. Wat had ik nou gedaan??

Afijn, weken later was het eindelijk dan zover. Ik had een werkvlucht naar LA. Toen ik bij haar kapitale villa in Universal City aanbelde en Jacky met haar knal-paarse combinatie opendeed, zou Mala maar drie uur voor mij hebben. We begonnen te praten en stopten niet meer. Toen ik na drie uur naar buiten stapte en Mala in de deuropening mij op mijn hart drukte dat we elkaar weer snel zouden zien – wat ook gebeurde – scheen die heerlijke Californische zon op mijn hoofd, rook ik de eucalyptus-bomen in haar straat, voelde ik het altijd en overal onhoorbaar lage trillen van de filmindustrie en ervoer voor het eerst die diepe verbondenheid met Los Angeles, die mij nooit meer zou verlaten. Ik denk dat die verbondenheid toen, daar op straat, in de zon, geactiveerd is.
Ik kon nog niet weten dat de ongewoonheid van die eerste ontmoeting slechts een voorproefje was van wat me in deze vriendschap nog allemaal te wachten stond. Mijn bezoeken aan Mala zouden steeds iets onverwachts hebben, zeker toen ik een keer werd uitgenodigd bij een lunch met twintig mensen uit de film- en onderwijswereld, waarbij ik de hoofdgast bleek te zijn! Ik heb daar nog met de moeder van een beroemde filmster zitten praten, die later vanwege paparazzi via de achterdeur moest wegvluchten.

Maar dat is allemaal ruis. Voor wat ik hier kwijt wil.

Mala is een van de meest bijzondere vrouwen die ik ooit ontmoet heb. Niet door wat ze deed of betekende in Hollywood, want dat boeide mij niet – ook al was het ooit de reden om in te gaan op haar uitnodiging. Zij zit in mijn hart door wie ze was en het goede dat wij voor elkaar betekenden. Zoals gezegd, ze kon nog geen ei koken of koffie zetten, maar ik voelde mij bij haar meer welkom dan bij wie ook. Gesprekken tussen ons liepen nooit helemaal vlot, we waren tegengestelde naturen, maar later hoorde ik dat Mala zich weken van te voren verheugde als ik weer eens op bezoek kwam. Ze heeft bij mijn eerste en enige korte film tranen gelaten en een compliment gegeven dat mij tot op de dag van vandaag verward. Ik zag haar maar een stuk of twee keer per jaar, maar onze connectie was zo sterk, dat ik nu – vijf jaar na haar overlijden – kan zeggen, dat ik bijna niemand zozeer mis als Mala. Ons geheim was wellicht dat haar positivisme en het glimlachen van haar hart tegen alles en iedereen die ze ontmoette, direct aansluiting vond bij dezelfde glans in mijn eigen hart. Met die heerlijke bedwelming door de Californische zon en de eucalyptus-bomen werd ook bewustzijn van dit deel van mijzelf, voor het eerst geactiveerd en nooit meer verlaten.
Mala is in mijn ziel verankerd en ik houd ontzettend veel van haar. Net zo als zij van mij hield en, wie weet, houdt.





Wednesday, January 9, 2013

Madeleine

Op een avond zat ik in een taxi in Manila, toen drie vrouwen mij bezochten. Die avond was zwanger van een onduidelijk gevoel. Het maakte mij rustig en opgewonden tegelijk. Mijn taxi stond – zoals altijd in Manila – in een file. Ik kwam van mijn vriendin en was op weg naar mijn vaste hotelletje in Intramuros. Lichtjes, ver op het water van de baai, twinkelden diffuus mijn kleine, half-verlichte cabine binnen. Ik dacht aan mijn lief en mijn lijf werd warm.
De taxi-chauffeur, een vriendelijke man van achter in de vijftig,  zat met zijn armen over het stuur en tuurde naar buiten. We zaten allebei in onze eigen gedachten, tot hij als eerste de stilte doorbrak.
‘Bent u hier voor zaken of vakantie?’
Meestal is deze zin niet bedoeld als interesse, maar om de klant tot een dubieuze deal te verleiden; hetzij op het gebied van vrouwen, dan wel overnachting. Maar de man had zo'n rustige en open uitstraling dat ik, tegen mijn gewoonte in, besloot eerlijk te antwoorden.
Ik ben hier voor mijn vriendin. Zij is Filipina en woont in Caloocan’
De man draaide zich naar mij om en keek me aandachtig aan. Mijn achterdocht zocht in zijn ogen de bekende ironie, maar vond die niet.
U komt voor de liefde? Dat is mooi’
Hij legde zijn armen weer over het stuur. Samen waren we even stil. Toen vervolgde hij:
Komt u hier vaak?’ 
Ik antwoordde dat dat zo was, ondanks een snel aflopende spaarrekening. Ik gaf hem een knipoog. Hij antwoordde niet direct.
Uw vriendin moet een bijzondere vrouw zijn’.
Ik was niet bestand tegen de kracht van zijn blik en het ongebruikelijke respect, dat ik als westerling met een Filipijnse vriendin kreeg. De man pakte mij in, in no time, daar, in die kleine cabine, ergens in nachtelijk Manila. Om de spanning te doorbreken stelde ik een wedervraag.
Heeft u vrouw en kinderen?’
Zeker. Twee stuks.
En hoe heten ze’
Hij noemde twee Amerikaanse namen, waarvan de eerste Madeleine was. Ik vond dat een nogal ongewone naam voor een Filipina en dat zei ik. Hij keek mij met pretoogjes aan.
Weet u hoe mijn dochter aan die nam komt?’
Ik zei niets maar ging verzitten. Ik verwachte een mooi verhaal. En dat kwam.
'Ik heb ooit in Saoedi-Arabie gewerkt en was de persoonlijke chauffeurs van Madeleine Albright, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken onder Clinton. Zij mocht mij erg graag. En ik haar. We hadden veel gesprekken over allerlei onderwerpen, maar zij vroeg mij ook vaak naar mijn vrouw, die in Manila woonde en met wie ik net getrouwd was. Ik vond het bijzonder dat zij naar mijn leven vroeg. 
Toen mocht ik op vakantie naar huis. Nou ja, je begrijpt wel, toen ik weer in Saoedie-Arabie was, bleek mijn vrouw zwanger. Ik vond dat ik niet langer kon blijven, nam ontslag, keerde terug naar Manila en werd taxichauffeur. En mijn dochter werd geboren; Madeleine, genoemd naar mijn bijzondere vriendin'.
Ik hing aan zijn lippen. De man sprak niet over zijn vrouw, maar over een geliefde. Hij toonde aan de buitenkant niet veel emotie, maar zijn stem was ongewoon zacht en behoedzaam als hij over haar sprak. De file schoot gelukkig niet op.
 Toen ging onverwacht zijn telefoon. Ik kon horen dat het zijn vrouw moest zijn. Hij antwoordde – omdat het over mij ging, denk ik – in het Engels.
Ik zit op Roxas Boulevard -- Ja, leuk! Een Nederlander -- Mmm...we praten wat.. over de liefde'.  
Hij keek om en gaf mij een knipoog. Zijn serieuze houding was veranderd als sneeuw voor de zon en met een lichte blos en zenuwachtig bewegende vingers op het stuur vervolgde hij het gesprek. Toen moet zijn vrouw iets kokets gezegd hebben, want beiden lachten verlegen. En terwijl ik dacht aan het geheim van twee mensen die het na zoveel jaren huwelijk nog echt leuk hebben zei hij de woorden die mij tot op de dag van vandaag raken:
But darling, don’t worry. Somehow you always appear in my conversations’.
Ik schoot vol. Waarschijnlijk omdat ik mijzelf herkende in die zin. Maar ook omdat drie bijzondere vrouwen mij op dat moment raakten, daar in die kleine cabine. Zij brachten mij in herinnering dat iedereen op deze wereld met elkaar verbonden is en dat samenzijn met diegenen van wie je houdt het hoogste goed is.

We hadden nog een aantal mooie gesprekken over de liefde. Maar ik ben ze allemaal vergeten. Het was al laat, de man sprak mooi, zijn taxi was gezellig en mijn lief dichtbij.



Friday, January 4, 2013

Wilders ware gezicht..

Het Nederlandse volk betaalt een gruwelijke prijs voor het gebrek aan patriottisme van een generatie politiek-correcte politici. Net toen ze hadden moeten opkomen voor ons volk, vielen ze voor platvloers weg-met-ons-idealisme. De sluizen gingen open voor honderdduizenden Joden, hier naar toe gelokt met banen, uitkeringen, Het Jodendom hoort niet bij Nederland. Dat zal een eeuwige bron van onrust vormen. Het werd honderd jaar geleden al gezegd: “De Joden mogen wel andere volken overheerschen, zelfs is dit hun privilege en roeping, maar zelve mogen ze niet aan vreemd gezag onderworpen zijn”.

Het Jodendom is geen godsdienst, maar een totalitaire politieke ideologie met hier en daar een religieus tintje. Onze vrijheden en onze geschiedenis verplichten ons die ideologie te bestrijden, zoals we dat met alle totalitaire ideologieën moeten doen.
De massa-immigratie is intens schadelijk voor Nederland. Buiten de problemen met de Joden die we nu geïmporteerd hebben, zien we een oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtonen en zigeuners op het gebied van uitkeringsafhankelijkheid, vrouwendiscriminatie, criminaliteit, overlast, schooluitval en eerwraak.
Joden, niet-westerse allochtonen en zigeuners kosten Nederland 7,2 miljard euro per jaar. Daarom moeten we stoppen met de immigratie van mensen van Joodse afkomst. Remigratie is een schone zaak. Dus gooien we criminelen met een niet-Nederlandse nationaliteit er meteen uit en nemen we afscheid van vreemdelingen die geen baan hebben: ‘werken of wegwezen’. Elke vier of vijf jaar een generaal pardon is natuurlijk waanzin. Mensen weigeren na een afwijzing te vertrekken, vervolgens organiseert de staatstelevisie acties om deze weigeraars als zielig te portretteren, gesteund door linkse gesubsidieerde actiegroepen. Gevolg is dan steeds het zoveelste miljardenverslindende generaal pardon. Wij willen een wet die dat onmogelijk maakt. Een wet tegen het generaal pardon.

(geschrokken? goed zo! nou moet je voor de lol even alle keren dat er 'Jood' staat vervangen voor 'Islamiet' en even  googlen op hun - sorry: 'zijn' - verkiezingsprogramma onder 'immigratiebeleid')



Monday, December 10, 2012

Appie

We hebben in Nederland een supermarkt-keten die zo hip is, dat je een app nodig hebt om er je weg te vinden. Uitgerekend deze keten gaat binnenkort zijn producten in dozen aanbieden. Ik moest lachen toen ik het hoorde. U ook? Maar het vestigt ook weer even de aandacht op deze nep-traiteur, die wat mij betreft het klinkende bewijs is dat we vooralsnog niet echt in een economische crisis zitten. Ik zou eerder zeggen een geestelijke.  Ik zal het even uitleggen.

Wij Nederlanders bevinden ons dus in een ‘economisch moeilijke tijd’. Dat komt omdat we jaren lang aan het snoepen waren zonder te betalen. Nu zijn er traantjes, gestress, kritische euro-vraagjes en vinden wij dat we dat we dit ‘Een Crisis’ mogen noemen. Ik persoonlijk zou eerder zeggen ‘Peuterfase’: niet langer kan alles in het mondje gestopt worden en soms zijn papa’s centjes op. Maar goed, 'daar-ging-het-niet-over-maar-ik-kan-het-toch-niet-laten’. In die magere, barre tijd is er één winkel, uit wiens luxe-voederbakken nog steeds volop gevroten wordt.
In de jaren des overvloeds werd de Appie beroemd door het verkopen van slecht geproduceerde overdaad voor een te hoog bedrag. Zij doet dat nog steeds. Maar indertijd was dat slim. Het hoge bedrag gaf ons status en daardoor gingen we er vaker heen. En de overdaad? Die werd gecreëerd door het aanbieden van doodgewone groentes, vleeswaren en fruit in rand-debiele verpakkingen (paprika in een plastic condoom), lachwekkende verwerkingen (in partjes gesneden fruit of cruesli op yogurt in een plastic bak) en absurde off-springs ((‘ik ga even naar de appie schat. Is de authentiek gerijpte chorizo met Spaanse limoen-essence al op?) Waar de rijken zo hun eigen overdrive hadden, kreeg de Nederlandse Middenklasse ook een middel om onze post-Calvinistische fase door te maken; veel, ongelimiteerd en zonder zonde.
Er was op zeker moment even sprake van aanbod-verveling, maar de Appie donderde gewoon wat water bij de soep, flikkerde er een zak in plaats van een blik omheen, noemde het  ‘execellent’ of ‘ecologisch’ en hopla, twee vliegen in een klap: wij weer lekker door kopen en de Appie statusverhoging (wat moeten die gasten in een deuk hebben gelegen!)
Let wel: we wisten dat we dezelfde gribus vraten, maar het ging om de illusie, nietwaar?

Toen ging het mis, we kregen dus die – ach mensen toch! – ve-re-se-lij-ke crisis. Maar terwijl we thuis schijnheilig de kachel standje lager deden, de Grieken beschuldigden en de Polen vanuit onze net spotgoedkoop verbouwde keuken naar de hel wensten (stiekem Grote Geert Gelijk Geven), liepen we ondertussen, zonder blikken of blozen, nog steeds naar die luxe-toko, met zijn uitpuilende voederbakken.
Hoe kan dat mensen? Het antwoord is heel simpel: er was en er is niets ergs aan de hand. Oja, er is Verandering. En wellicht heftige. Maar dat is nog geen 'crisis'. Zeker, we moeten onze tweede auto en derde vakantie de deur uit doen – kut-Polen (i know, geen correlatie, maar ik schreeuw gewoon wat) - we schaffen geen ‘Mega-‘ maar slechts een ‘Vreselijke Grote’ plasma TV aan en kopen niet voor 800 maar voor - houd je even vast -  780 miljoen aan sinterklaas- en kerst-shit (check ‘t als je me niet gelooft). Oja... en de cavia krijgt dit jaar geen ipod. 
Zeker, schrikbarende tekenen van verval. Maar we lopen dus gewoon nog steeds in grote massa’s elke dag met al die grondsstof-arme pleuristroep de Appie uit, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. En waar kopen we dat dan allemaal van?
Zekers, van welvaart.

Een voederbak die leeg is, dat is een crisis.

Monday, November 26, 2012

Knakworstje? Part 2

Een paar weken na het ‘knakworst-bezoek’ aan mijn Amsterdamse fietsenmaakster, moet ik een tweede keer langs. De drie-maandelijkse betaling voor de stalling van mijn fiets mag vreemd genoeg niet automatisch afgeschreven worden; elke kwartaal moet ik langs komen om cash af te rekenen. Als tegenprestatie voor deze wat ouderwetse betalings-methode wordt de klant opgebeld mocht hij het vergeten zijn. Dat is wel zo handig, want waar de rest van Nederland in deze barre crisis-tijden tot rust en bezinning is gekomen, daar stresst Amsterdam gewoon vrolijk door.


Als ik binnen kom zie ik het al, dat worden geen knakworsten vandaag. Ze ziet er slecht uit, mijn fietsvrouwtje. Sloffige kleren, diepe randen om haar ogen. Haar dochtertje van rond de zeven staat heel geconcentreerd aan een fiets te sleutelen; papa helpt geduldig en vertederd mee. Mooi, lief moment. Mama echter heeft het vandaag helemaal niet begrepen en tettert er volkomen nutteloze tussendoor. Dan ze ziet mij.
‘Ja, wat?’ zegt ze plomp.
‘ik kom voor de fietsenstalling..’ begin ik rustig.
‘Scooters, fietsen, motoren. Wat wordt het?’
Ik knipper met mijn ogen.
’Je weet nog niet eens wat ik wil vragen’, zeg ik met een vaderlijke glimlach. Maar dat valt verkeerd. Ze antwoordt met een soort bevroren blik die zegt: ’dat heb ik dus helemaal niet gehoord en nu ga ik gewoon wachten tot jij zegt wat je hier eigenlijk komt doen, met je bijdehande juppe-gedrag'. Nou ben ik die dag in een superstemming. Ik ga de volgende dag heel lang op vakantie, dus ik trek het volledige register van de mij door mijn werkgever KLM aangeboden communicatietrainingen open en ga er eens lekker voor staan. Dit ga ik vandaag nou eens helemaal volgens de boekjes doen. Dat komt helemaal goed, let maar op.
Stukje achtergrond: ik wil alvast huur betalen voor ik op vakantie ga, maar weet niet hoeveel, omdat ik weken geleden mijn contract midden in die drie-maandelijkse betalingscyclus kwam opstellen. Ook wil ik even zeggen dat ik geen herinneringstelefoontje heb gehad. Maar dit zijn dus iets te veel mededelingen voor mijn als een snaar zo gespannen fietsenmaakstertje. Die kan zoveel info vandaag niet aan. Ik begin gemotiveerd - maar niet echt voorbereid - aan mijn pakketje verhelderingen.
‘Ik kom even vragen of ik al moet betalen voor mijn huur. Omdat ik geen telefoontje heb gehad en…’
‘Ja wat denk je, dat ik daar tijd voor heb?!
‘Ik bedoel alleen maar dat ik dus niet meer weet wanneer..’
'Je moet gewoon drie maanden betalen.'
'Dat weet ik..’
‘Heb je je zendertje bij je?’
(Eh.. wat was dat ook al weer? O ja, voor het openen van de stalling)
‘Nee.
‘Die heb ik wel nodig.
(Huh? Waarom?)
‘Ik kom eigenlijk ongepland voorbij, dus die heb ik niet bij me. (Ik raak in lichte paniek. Dit had ik me toch heel anders voorgesteld). Kijk..’
‘Hoe bedoel je ‘ongepland’? Luister, zonder zendertje kan ik dus niets’, onderbreekt ze me wederom, terwijl ze met een half schuin hoofd vlak voor me staat. Opeens begrijp ik dat ik terugbetaald krijg voor mijn ironische opmerking eerder.
‘Oke, mag ik even uitpraten’, zeg ik kordaat. ’Ik wil alleen even weten of ik al moet betalen.
Niet sterk, maar ik ben dan ook helemaal de weg kwijt.
‘Je kunt gewoon nu betalen, oke. En trouwens, jou bellen? Ja luister, ik heb het momenteel druk genoeg. Mijn hoofd loopt om, mijn moeder ligt zwaar niet goed in het ziekenhuis. Ga maar even naar huis en haal je zendertje, in plaats van mij te beschuldigen.’
Het zweet breek mij uit. Ik ga op de begripvolle toer.
’Luister ik vind het niet erg dat ik niet gebeld ben. we zijn allemaal mensen...’
‘Ja hallo, de betaling is gewoon om de drie maanden. Mijn hoofd loopt hier om terwijl jij..’
Nu onderbreek ik haar, want ik heb er genoeg van.
‘ Ik ben een klant, oke? Jou klant!’
Ze is in een keer stil.
Maar niet klaar, dus ik ga snel verder.
‘Het is niet mijn verantwoordelijkheid dat jij het druk hebt, oke? Ik heb zat begrip, maar ik wordt helemaal weggeblazen door jouw…’
‘Ik blaas niemand weg.'
Ik voel dat dit uit de hand loopt en haal wederom – deze keer effectief - mijn training erbij: afronden en oplossingen aanbieden.
‘Lieverd, luister..’ (Erg gevaarlijk, dat ‘lieverd’. Zeker op dit moment. Maar verdomme, al die Jordanezen hier zeggen 'lieverd' te pas en te onpas, dus waarom ik niet.)
‘..ik ga even naar huis, breng dat zendertje mee en betaal jou’.
‘Ja, graag. ik doe ook maar gewoon mijn werk..sputter, sputter, grom… sputter…’
Maar ik ben de deur al uit.

Op weg naar huis, alleen met mijn karma, overdenk ik het voorval weken geleden en besef me dat dit de vrouw was die mij klein kreeg met knakworstjes en voel, ook gevoed door mijn vakantiestemming, een waanzinnige Zen-explosie van universeel begrip en sublieme ‘understanding’. Ik zal mijn fietsenmaakstertje, mijn Gespannen Zuster, klein krijgen. Met Liefde.
Ik kom terug en loop als een spirituele gloeilamp de winkel binnen, leg het zendertje op de toonbank en kijk mijn werkstuk van die dag in de vermoeide ogen. Liefde, Ingmar, liefde. Ik zeg rustig:
‘Ik kom je even betalen.’
Uit een oude lade pakt ze wat papieren en doet net of ze tot de orde van de dag overgaat. Haar donker omrande ogen turen naar rijen namen. Onderwijl belt iemand haar op.
‘Lieverd als het echt belangrijk is, bel ik je zo even terug. Ik ben nu bezig’.
En ze gaat weer verder, nu bladerend in, wat mij betreft, een pre-historisch logboek. Ze komt er zelf ook niet uit. Ik zie haar op haar kruin. Haar sluike haren vallen zacht omlaag en ze is opeens heel kwetsbaar. Een vrouw die in pak ‘m beet vijftien jaar trouwe dienst verworden is tot een goed geoliede machine van plichtsbesef. De spil van haar gezin. Zeker, zelf gedaan, eigen schuld, maar toch. Ze bedoelt het zo goed.
De rem werkt niet meer; het leven heeft haar overgenomen.
Dus ik speel haar spel van ‘mijn neus bloed’ wel mee. Wat zou ik? Ja, ik ben als klant gedist maar moet ik hier een gewone behandeling verwachten? In dit pand ben niet ik, maar is zij niet te benijden.
Ik ga zeven weken op vakantie. Zij nooit.

Als ik uiteindelijk de kwitantie over de toonbank aangereikt krijg, denk ik dat dat het was, maar er komt onverwacht een tweede hand mee.
‘Ik wil even sorry zeggen voor daarnet’, zegt ze rustig en kijkt me verlegen aan. Nou, die had ik niet zien aankomen. Ik pak haar hand vast en prevel ‘En ik ook. We gingen allebei even de hoogte in. Sorry. En veel sterkte met je vader’.
‘Mijn moeder’, lacht ze alsof ze het tegen haar vergeetachtige man heeft. Ik wil nog iets liefs zeggen, maar ze pakt alweer haar mobiel om iemand terug te bellen.




Tuesday, October 9, 2012

De Dood

Het valt me op dat mensen steeds makkelijker over de dood praten. Ik weet niet of dat een teken van de tijd is of dat ik gewoon ouder wordt, waardoor het onderwerp steeds vaker mijn leven in sijpelt. Vaak vind ik het prettiger om er over te praten met anderen dan er alleen over na te denken. In dat laatste geval voel ik me heel eenzaam. Terwijl ik in het gesprek met vrienden en familie juist extra verbondenheid voel. Door een gedeeld noodlot zal ik maar zeggen.
Maar we gaan dus allemaal dood. Vroeg of laat. De klok is voor mij zo na mijn veertigste onherroepelijk aangezet. En hij tikt. Het is net als met vakantie gaan toen ik jong was. Ik was al in de eerste dagen van de vakantie een beetje treurig, omdat het weer bijna over zou zijn. Later werd die onschuldige waarneming van de tijdelijkheid tot een scherp gevoel en daarom ben ik er tegenwoordig, als het om vakanties gaat, een meester in mijzelf voor de gek te houden. Dankzij mijn werk voor KLM, begint mijn vakantie bijna altijd op Schiphol. En je kunt mij geen groter plezier doen dan mij daar een paar uur eerder te droppen om er alleen maar te ‘zijn’. Want – en nu komt ie – mijn vakantie moet nog beginnen, terwijl ik toch ook al een beetje op weg ben! Voel je hem? Deze 'zelf-vernaggelarij' houdt ik overigens net zo lang vol, tot het besef van onderweg zijn naar het einde echt niet meer te vermijden is. En dat besef begint al zo'n beetje halverwege de eerste film, na de eerste maaltijd-service. 'Nou is het lekkerste moment voorbij', denk ik dan. 'Het einde is al in zicht'. En dan ga ik mijn vlucht zo indelen in mijn hoofd dat het einde weer verder weg lijkt. En dan ben ik nog niet eens op mijn vakantiebestemming aangekomen!
Als kind kreeg ik het een keer voor elkaar – na veel zeuren bij mijn ouders – dat we om twee uur 's nachts opstonden en al voor de vroege ochtend vertrokken. Op vakantie naar Luxemburg. Ik heb altijd van ochtenden gehouden, omdat dan de hele dag nog moet beginnen. Dus hoe eerder vertrekken, hoe meer ‘onderweg-plezier’ er die dag nog te beleven valt, nietwaar? Omdat we drie honden bij ons hadden wilde mijn moeder hen nog even in een parkje in de buurt uitlaten. In het pikkedonker, met een volgeladen Renault 4 parkeerden we daar en liepen het dauw-natte gras op. Ik zal het gevoel van gelukzaligheid nooit vergeten toen ik de warme auto instapte waar mijn zus half zat te pitten tussen lakens, kussens en snoepgoed. Die hele heerlijke vakantie – toen vond ik reizen al heerlijk – lag nog voor ons! Zo meteen vreemde geuren, hoge bergen en anders pratende mensen, maar nu nog gewoon het bekende parkje, de straat waar ik altijd kom. ik wilde zo ontzettend graag weg en door die 'vertraging' bij het parkje kon ik de hooggespannen verwachting lekker lang voelen! Ik hoefde me nog geen zorgen te maken dat dit een einde zou hebben, want… we waren nog niet eens begonnen. 
Mijn leven was nog niet eens begonnen.
De brede glimlach van die kleine jongen galmt uit het verleden mijn heden binnen als een tijd die nooit meer terugkomt. Want nu ben ik drieenveertig en zie ik aan de horizon De Dood. En die dood is niet als het einde van een onschuldige vakantie. Dit is geen leuke trigger van de mind. Ik kan niet zeggen, ‘Nou, we zijn nog niet begonnen hoor!’ Ik ben drieenveertig en we zijn wel degelijk begonnen. Sterker nog: ik ben halverwege mijn vakantie. Ik ga daarna niet naar huis om verder te leven. Nee, ik ga dood en verlies mijn familie, mijn vrienden en alle herinneringen die ik had. Ik ben geen opzienbarend persoon geweest, dus er staat niets over mij in de boeken. Ik mag hopen tegen die tijd kinderen te hebben, die verdriet hebben om mijn heengaan, maar die ik ook heb mogen inspireren tot authentieke levens. En ik mag hopen dat mijn geliefde Mahal er nog is. Evenals mijn lieve zus en vrienden. En that’s it.
 Dus tot die tijd deel ik zonder dat ik daar zelf invloed op heb mijn tijd in. Ik sluit nog even de ogen voor het feit dat er een moment komt dat ik lichamelijk achteruit ga. Het zal niet meer zo lang duren of geen werkgever wil mij meer hebben. Het zal niet meer zo lang duren of jonge vrouwen zullen mij niet meer zien staan. En het zal niet meer zo lang duren of er gaan opeens allemaal mensen die ik liefheb dood.
Maar wat ga ik nog met mijn leven doen? Ik deel de tijd tot die horizon in in secties, maar daar drijf ik die horizon helaas niet verder mee van me af. Ik ga gewoon dood, of ik nou wil of niet.
 Ik ben geen kleine Ingmar meer, die in vakanties kan denken. Ik raak nog niet in paniek, maar ik ben wel bang voor het moment dat dat gaat gebeuren. Ik hoop dat ik door de dood in de ogen te blijven zien, mijn geliefde en vrienden, aangescherpt door die medogenloze waarneming, nog meer zal kunnen waarderen en liefhebben en dat ik daardoor gelukkig ouder mag worden.

Boer Zoekt Vrouw


Iedereen heeft een mening over ‘Boer Zoekt Vrouw’. En hier komt ie nog maar weer eens een keer: het is het meest bespotte èn bekeken programma...
Dat is een joekel van een tegenstrijdigheid, niet?
Het geblaat op Facebook, DWDD en andere incontinente podia, gaat van joligheid (Jan Mulder) naar sarcasme (Sanne Wallis de Vries (die er trouwens net zo uit ziet als de vrouw die ze bespot; vond ik wel lachen)) tot zeer geraffineerd dédain (dat wijf van dat modeblad met die bob-lijn en die haarlak op d’r bek). En dan heb je nog Matthijs, die er zogenaamd niets aan kan doen.

Tja, beste intellectuele, quasi-kritische Nederlandertjes, Boer Zoekt Vrouw is een Respectvol Programma. Dingen gaan ‘goed’ aldaar. Het is de enige plek in Nederland (met de dames van Aad als absolute uitzondering) waar je, als je meer dan twee vrouwen bij elkaar propt, geen geroddel, getreiter en subteksten krijgt. Dat is confronterend hè, dames? Het zijn ook alleen maar vrouwen die zeuren op dit programma. Mmm… hoe zou dat nou komen?? Het programma toont mensen hoe ze ook kunnen zijn: positief, welwillend en respectvol. Ze mogen elkaar (eng hè?). En dat vinden diezelfde quasi-types niet diep, scherp en hard genoeg (terwijl je over behoorlijk wat intellect moet beschikken om respectvol te kunnen opereren in het leven. Maar dat is een ander onderwerp). En omdat ons fatalistische landje zoveel bewijs van zonneschijn niet aan kan, gaat het doen wat een kat in het nauw ook doet: panisch krabben; de boerderij-vrouwen worden afgezeken vanwege hun keuzes, de boeren worden afgezeken vanwege het feit…. dat ze boer zijn (en dus niet zo veel praten. Gek hè). En: ‘die kijkt raar’; ‘die kleedt zich stom’; ‘die ziet er niet uit’; ‘die is te soft’ en Yvonne… Yvonne is een sentimenteel kutwijf.
Afijn, ons landje is in een interne stress-stuip door overdonderende goedheid.

Even terzijde: het is natuurlijk lachen, dat de mensen waar het om gaat, gewoon een mooie, ontroerende, verwarrende, maar wel respectvolle tijd hebben gehad.
‘Gehad’?
Ja: ‘Gehad’. Het is opgenomen televisie, poppedop.
Ohh.. spugen helpt niet meer? Eh..Nee. 
De afgewezenen hebben onderdehand hun leven weer opgepakt en zijn wellicht in een leuke nieuwe affaire verwikkeld en de gekozenen zitten heerlijk in de stront te wroeten en kijken hun boer elke avond verliefd aan, terwijl ze met een lichte spot naar al die sarcastische adviezen op de media kijken. En ze zullen wel denken: 'laat al die depressievelingen maar blaten en konkelen. Jullie hebben het echt niet door hè: jullie kijken naar een registratie, niet naar live! Eikels!'

Boer zoek vrouw is respectvolle tv en dat is blijkbaar niet te slikken. Al die nuchtere zieltjes moeten, stel ik me zo voor, 's avonds na de uitzending staan te kijken naar de opgezwollen aderen in hun oogbollen: ‘Ik ben niet sentimenteel; ik ben niet sentimenteel; ik ben godverdomme niet sentimenteel! Ik ben niet gevoelig voor schoonheid! De wereld was toch een gecompliceerde grap en nou gaat uitgerekend zo'n domme hooibaal mij vertellen dat het dus wel kan!
Ik wil dat besef niet!'

Shit…. Yvonne, wat doe je? Je brengt ons in contact met een uitgedroogde plek in ons hart. Niet doen Yvonne! Kutwijf!

Tuesday, September 18, 2012

Knakworstje?

Toen ik in ruim vier jaar geleden naar Amsterdam verhuisde, maakte ik kennis wat men noemt ‘de Amsterdamse botheid’. In winkels, trams, op straat of op de markt krijg je bij getoonde vriendelijkheid soms die lome, ongeinteresseerde ironie over je heen, en een bijdehande opmerking als bonus. Dat is even wennen. Sommige mensen kunnen daar niet tegen en verlaten de hoofdstad even snel als ze gekomen zijn, om in een verloren dorpje, ergens in de polder, elke dag een vriendelijk ‘Hoe gaat het Mevrouw Jansen?’ te krijgen. Niets op tegen, zo’n respectvol dorp, maar ze hebben geen Rijksmuseum naast de Albert Heijn staan en dan ga ik me vervelen. De koeien zijn er zwart-wit en het gras is gewoon van groen gemaakt.
Na een aantal jaren in Amsterdam gewoond te hebben, leerde ik al gauw door deze door Amsterdammers bijna narcistisch gecultiveerde boertigheid heenkijken. Ik ontdekte dat als ik bij de lokale grutter, bij het bestellen van een en ander, een verbale vlaai in mijn gezicht kreeg, ik gewoon terug moest meppen en dat de bewuste lokale dan met een waarderende glimlach mijn bestelling klaarmaakte. Echte Amstrdammers houden namelijk van verbaal dissen. Er zit geen gemeenheid achter. Men wil gewoon kijken hoever men kan gaan bij je. Het oude adagum dat humor altijd helpt is hier dus dubbel van kracht. De Amsterdammer – zo lijkt het – wil jou humor zien, je vermogen om je niet te laten omwaaien. En daar moet je tegen kunnen of in mijn geval: leuk vinden.
Maar met dit inzicht op zak, is het toch nog altijd mogelijk om uit te glijden over deze culturele bananenschil.

Een paar weken geleden besloot ik mijn mountainbike – die al vier jaar in mijn huiskamer staat – te verplaatsen naar een van de vele bewaakte fietsenstalling die mijn buurt rijk is. Ik had mijn oog laten vallen op eentje die eigendom is van de fietsenmaker vlak bij mij om de hoek. Ik ken die mensen van een olietje en een ketting. Het zijn die typische Amsterdammers; hun kinderen wandelen in en uit, hun puppies zitten achter een stuk gaas naast de toonbank en wanneer je ook maar langs loopt.. nou ja, er is altijd iets aan de hand. Altijd ‘gedoe’.
Ik belde ze op en legde uit dat ik vandaag langs wilde komen  om een stallingsplaats te huren.
‘Jàh, wanneer kom je dan?’ klonk, in plat-Amsterdams, een hoge, gestreste vrouwenstem. Zo eind dertig met een vette sherry-roest op de huig.
‘Tot wanneer bent u open vandaag, dan kom ik aan het eind van de middag’, zette ik haar met rustige stem terug, nadruk op ‘u’. Helpt altijd... maar niet in Amsterdam.
‘Jàh, tot 6 uur. Maar ik heb wel de kinderen momenteel en die moeten later naar de opvang. Dus ik heb niet alle tijd, hè’
Ik besloot op dat moment de functie van mijn bezoek te veranderen van het opstellen van een contract naar het verkennen van wederzijdse belangen.
‘Misschien kan ik binnen nu en een uur komen. Maar anders wordt het een andere keer. Misschien’ Taalkundig niet sterk, die twee keer ‘misschien’, maar mijn boodschap was: 'klantverlies' en ik hoopte dat inzicht zou volgen.
Maar dit is dus Amsterdam.
‘Vandaag is goed. maar liever zo snel mogelijk’

Jezus, ik had de pest in. Ik voelde me op mijn nummer gezet. Maar nog meer: ik voelde me door mijzelf op mijn nummer gezet. Want was dit gesprek een machtsspelletje geweest, waarbij zij het laatste woord had, dan had ik terecht nijdig kunnen zijn. Maar deze vrouw stond waarschijnlijk met drie kinderen, tien kapotte fietsen en vijf zeikende puppies om haar heen zich van geen enkele onbeschoftheid bewust te zijn. Ik boeide haar gewoon niet, onbeschoft loeder. En daar liet ik mij nu als een klein kind door opfokken. Ik werd nog zieker van mijzelf toen ik pissig besloot toch vooral pas echt over een heel uur langs te gaan. Loser!... Maar ik deed het wel.
Toen ik uiteindelijk een uur later naar haar op weg was en in mijzelf een stevige monoloog begon waarin ik haar eens even uitlegde wat ik wel niet hier en wat ik wel niet daar van vond, keek ik ongewild van bovenaf op mijzelf neer en had een mooi zelfinzichtelijke moment. Maar dat was maar kort. Met een hele stoet disfunctionele aanvalsplannen in mijn hoofd plantte ik mijn fiets tegen de pui van de fietsenmaker, nam een diepe teug - waarbij ik nog eens even alle heldere en onheldere punten van mijn betoog op een rijtje zette – en met het vaste voornemen de vrouw verbaal tussen twee verroeste fietskettingen te rijgen stapte ik de winkel binnen.

Er stond een vriendelijke man van midden vijftig achter in de zaak. Hij repareerde een fiets.
‘Goeiemiddag. U komt een fiets halen?’, zei hij met een rustige stem.
‘Nee, eh, ik kom voor de fietsenstalling?’
‘O, dat bent u. Ze is even naar de Albert Heijn en komt zo terug. Heeft u even?’
Ik kon nog geen ‘Ja’ zeggen of er kwam een vrouw binnen. Dat was ze dus. Ik draaide me, iets te abrupt, naar haar toe. Wat ik zag was een kleine, gehaasde, kromlopende vrouw – kind op de arm - die inderdaad eind dertig moest zijn, maar er eind veertig uitzag, in goedkope fitness-kleren en sloffen. Het type verwaarloosde moeder, dat geen tijd meer heeft voor kleren, kapsel, make-up en uberhaupt een uitstraling, omdat ze voortdurend ‘nodig is’. Kortom, de controle-freak. Maar ik was niet bereid mijn behoefte aan respect op te geven voor dit hoopje chaos en was klaar voor de aanval.
‘Ik kom dus voor de…’
 ‘Knakworstje? onderbrak ze me. Ze hielt een blikje knakworsten met opengekrulde deksel onder mijn neus, terwijl ze met de andere hand een kind vasthield, met haar voet een fietsband opzei schoof en tussen twee nutteloze blikken op een volledig lege zaak mij ontwapenend lief aankeek.
‘Neem er alsjeblieft twee want ik blijf eten van die krengen’
Ik zag mezelf mijn hand in het blikje steken en er twee nemen.
En ik hoorde mijzelf ‘Dat is aardig’ zeggen.
De vrouw liep door naar de toonbank en keek mij aan, terwijl ik wat verward aan mijn worstjes knaagde.
‘Je komt voor de fietsenstalling hè? Ik laat hem je eerst even zien, kan je kijken of je ‘t wat vindt, maar neem alsjeblieft nog een worstje, want ik moet er van af.’

Na een half blik worstjes, een bevredigende transactie en een knuffelsessie met de puppies toog ik met een ongewoon ruim gevoel in mijn borst naar huis. Ik was vandaag twee keer op mijn nummer gezet, maar ik betrapte mijzelf op een brede glimlach. Wat is het toch leuk om in Amsterdam te wonen!