Tuesday, September 18, 2012

Knakworstje?

Toen ik in ruim vier jaar geleden naar Amsterdam verhuisde, maakte ik kennis wat men noemt ‘de Amsterdamse botheid’. In winkels, trams, op straat of op de markt krijg je bij getoonde vriendelijkheid soms die lome, ongeinteresseerde ironie over je heen, en een bijdehande opmerking als bonus. Dat is even wennen. Sommige mensen kunnen daar niet tegen en verlaten de hoofdstad even snel als ze gekomen zijn, om in een verloren dorpje, ergens in de polder, elke dag een vriendelijk ‘Hoe gaat het Mevrouw Jansen?’ te krijgen. Niets op tegen, zo’n respectvol dorp, maar ze hebben geen Rijksmuseum naast de Albert Heijn staan en dan ga ik me vervelen. De koeien zijn er zwart-wit en het gras is gewoon van groen gemaakt.
Na een aantal jaren in Amsterdam gewoond te hebben, leerde ik al gauw door deze door Amsterdammers bijna narcistisch gecultiveerde boertigheid heenkijken. Ik ontdekte dat als ik bij de lokale grutter, bij het bestellen van een en ander, een verbale vlaai in mijn gezicht kreeg, ik gewoon terug moest meppen en dat de bewuste lokale dan met een waarderende glimlach mijn bestelling klaarmaakte. Echte Amstrdammers houden namelijk van verbaal dissen. Er zit geen gemeenheid achter. Men wil gewoon kijken hoever men kan gaan bij je. Het oude adagum dat humor altijd helpt is hier dus dubbel van kracht. De Amsterdammer – zo lijkt het – wil jou humor zien, je vermogen om je niet te laten omwaaien. En daar moet je tegen kunnen of in mijn geval: leuk vinden.
Maar met dit inzicht op zak, is het toch nog altijd mogelijk om uit te glijden over deze culturele bananenschil.

Een paar weken geleden besloot ik mijn mountainbike – die al vier jaar in mijn huiskamer staat – te verplaatsen naar een van de vele bewaakte fietsenstalling die mijn buurt rijk is. Ik had mijn oog laten vallen op eentje die eigendom is van de fietsenmaker vlak bij mij om de hoek. Ik ken die mensen van een olietje en een ketting. Het zijn die typische Amsterdammers; hun kinderen wandelen in en uit, hun puppies zitten achter een stuk gaas naast de toonbank en wanneer je ook maar langs loopt.. nou ja, er is altijd iets aan de hand. Altijd ‘gedoe’.
Ik belde ze op en legde uit dat ik vandaag langs wilde komen  om een stallingsplaats te huren.
‘Jàh, wanneer kom je dan?’ klonk, in plat-Amsterdams, een hoge, gestreste vrouwenstem. Zo eind dertig met een vette sherry-roest op de huig.
‘Tot wanneer bent u open vandaag, dan kom ik aan het eind van de middag’, zette ik haar met rustige stem terug, nadruk op ‘u’. Helpt altijd... maar niet in Amsterdam.
‘Jàh, tot 6 uur. Maar ik heb wel de kinderen momenteel en die moeten later naar de opvang. Dus ik heb niet alle tijd, hè’
Ik besloot op dat moment de functie van mijn bezoek te veranderen van het opstellen van een contract naar het verkennen van wederzijdse belangen.
‘Misschien kan ik binnen nu en een uur komen. Maar anders wordt het een andere keer. Misschien’ Taalkundig niet sterk, die twee keer ‘misschien’, maar mijn boodschap was: 'klantverlies' en ik hoopte dat inzicht zou volgen.
Maar dit is dus Amsterdam.
‘Vandaag is goed. maar liever zo snel mogelijk’

Jezus, ik had de pest in. Ik voelde me op mijn nummer gezet. Maar nog meer: ik voelde me door mijzelf op mijn nummer gezet. Want was dit gesprek een machtsspelletje geweest, waarbij zij het laatste woord had, dan had ik terecht nijdig kunnen zijn. Maar deze vrouw stond waarschijnlijk met drie kinderen, tien kapotte fietsen en vijf zeikende puppies om haar heen zich van geen enkele onbeschoftheid bewust te zijn. Ik boeide haar gewoon niet, onbeschoft loeder. En daar liet ik mij nu als een klein kind door opfokken. Ik werd nog zieker van mijzelf toen ik pissig besloot toch vooral pas echt over een heel uur langs te gaan. Loser!... Maar ik deed het wel.
Toen ik uiteindelijk een uur later naar haar op weg was en in mijzelf een stevige monoloog begon waarin ik haar eens even uitlegde wat ik wel niet hier en wat ik wel niet daar van vond, keek ik ongewild van bovenaf op mijzelf neer en had een mooi zelfinzichtelijke moment. Maar dat was maar kort. Met een hele stoet disfunctionele aanvalsplannen in mijn hoofd plantte ik mijn fiets tegen de pui van de fietsenmaker, nam een diepe teug - waarbij ik nog eens even alle heldere en onheldere punten van mijn betoog op een rijtje zette – en met het vaste voornemen de vrouw verbaal tussen twee verroeste fietskettingen te rijgen stapte ik de winkel binnen.

Er stond een vriendelijke man van midden vijftig achter in de zaak. Hij repareerde een fiets.
‘Goeiemiddag. U komt een fiets halen?’, zei hij met een rustige stem.
‘Nee, eh, ik kom voor de fietsenstalling?’
‘O, dat bent u. Ze is even naar de Albert Heijn en komt zo terug. Heeft u even?’
Ik kon nog geen ‘Ja’ zeggen of er kwam een vrouw binnen. Dat was ze dus. Ik draaide me, iets te abrupt, naar haar toe. Wat ik zag was een kleine, gehaasde, kromlopende vrouw – kind op de arm - die inderdaad eind dertig moest zijn, maar er eind veertig uitzag, in goedkope fitness-kleren en sloffen. Het type verwaarloosde moeder, dat geen tijd meer heeft voor kleren, kapsel, make-up en uberhaupt een uitstraling, omdat ze voortdurend ‘nodig is’. Kortom, de controle-freak. Maar ik was niet bereid mijn behoefte aan respect op te geven voor dit hoopje chaos en was klaar voor de aanval.
‘Ik kom dus voor de…’
 ‘Knakworstje? onderbrak ze me. Ze hielt een blikje knakworsten met opengekrulde deksel onder mijn neus, terwijl ze met de andere hand een kind vasthield, met haar voet een fietsband opzei schoof en tussen twee nutteloze blikken op een volledig lege zaak mij ontwapenend lief aankeek.
‘Neem er alsjeblieft twee want ik blijf eten van die krengen’
Ik zag mezelf mijn hand in het blikje steken en er twee nemen.
En ik hoorde mijzelf ‘Dat is aardig’ zeggen.
De vrouw liep door naar de toonbank en keek mij aan, terwijl ik wat verward aan mijn worstjes knaagde.
‘Je komt voor de fietsenstalling hè? Ik laat hem je eerst even zien, kan je kijken of je ‘t wat vindt, maar neem alsjeblieft nog een worstje, want ik moet er van af.’

Na een half blik worstjes, een bevredigende transactie en een knuffelsessie met de puppies toog ik met een ongewoon ruim gevoel in mijn borst naar huis. Ik was vandaag twee keer op mijn nummer gezet, maar ik betrapte mijzelf op een brede glimlach. Wat is het toch leuk om in Amsterdam te wonen!

Friday, August 31, 2012

40 / 23

-->
Wat doe je als je aan het zwembad van het hotel zit en een iets te bruin gebakken vrouwelijke collega van veertig, in iets te uitpuilend badpak en net iets te aanhalig karakter je gepassioneerd en zweterig vertelt dat ze nog dolgraag kinderen wil en net een nieuwe liefde heeft gevonden.. van drieëntwintig? Ze kent hem een maand, maar voelt al heel veel voor hem. En ‘hem’ komt ook nog eens uit een cultuur – de Turkse -  waar het hebben van een veertig jaar oude vriendin, als drieëntwintigjarige inwonende jongen, nou niet meteen in de top drie van de clan staat.
Dan zit je te luisteren, terwijl veertig maal drieëntwintig meningen, generalisaties en waarschuwingen zich door je hoofd haasten naar de uitgang van je mond, terwijl die collega, met oprecht vertrouwen in jou respect, je dwingend-twijfelend aankijkt.
Tja…

Weer zo’n geval van: weet ik veel wat er in dat grote hart van ‘die ander’ aan gevoelens en overwegingen plaatsvind…. Heb ik flauw idee wat haar geschiedenis is? Haar kracht? Haar verwachtingen…Haar weg? Wie ben ik om…?

Het liefst roep ik: ‘Rrrrramkoers, poppedop!’

Maar dat weet een veertig jaar oude vrouw met een veel jongere vriend zelf ook wel.
Eigenlijk kan ik er niet eens een stukje overschrijven, want dan sluipt er toch een mening in. En die heeft toch geen waarde. Hij is uit een lade met heel veel van dezelfde soort gevallen getrokken. Daar is hij gezeefd en gefilterd en komt er als een soort Bob Ross uitrollen; perfect neergezet, maar volledig dood.  De realiteit is zo veel grilliger dan mijn aannames..

Die griet heeft kloten, echtheid, verwarring, eerlijke onrust, wellicht naïviteit en dat is het dan.

Dus ik prevel: ‘Doe wat jou gelukkig maakt…’

Jezus gatver..

De Duitser

Je hebt ze over de hele wereld, in elk land, met name in de wat armere, tropische landen: de geïmmigreerde blanke westerling met 'lokale business'. Zo’n wat verveelde, zweterige man, meestal met ontbloot bovenlijf, iets te rood van de drank of te bruin van de zon, die jou, als je niet uitkijkt, de hele avond lastig valt met alles wat hij niet goed vind aan zijn nieuwe thuisland. Als hij daarbij ook nog, en passant en ongecensureerd, de lokale bevolking meeneemt in zijn gezeur – altijd op het moment dat jij de enige aan de bar bent -  dan kan je avond als enthousiaste toerist zo maar helemaal vergald zijn.
Het is in dit geval een Duitser. Ik ben vier weken op het afgelegen eiland Siquior in de Filipijnen en hij runt het resort naast dat van mij. Omdat ze daar lekkerder eten hebben, maar vooral internet, ben ik er vaak te vinden. Veel avonden zit ik met de andere gasten en die Duitser aan een schaars verlicht barretje, nog geen vijf meter van de zee, waar wij met heerlijke foute, Filipijnse discomuziek op een aangename manier tot elkaar veroordeeld zijn.
Tanig van jaren rijst is hij dus die typische westerse man, die zo’n beetje een schemerig bestaan leidt in, in dit geval, de Filipijnen. Thuis wil niemand hem meer kennen maar hier heeft hij een tros half-bruine kleintjes van een lokale Filipina plus veel ’business-contacten’; meestal verlegen Filipino’s, die voor te weinig geld door hem aan het werk gezet worden in allerlei vage klusjes die bijna geen geld opleveren. Ze zitten overal, die eenzame, blanke mannen, met hun zelfgefabriceerde koninkrijkjes.

Het zal na een week zijn, dat deze man met mij in gesprek raakt. Hij hangt een beetje hand-onder-de-kinnerig over de bar. Met een zuinige, zure glimlach om ogen en mond doet hij of niets hem raakt, terwijl hij toch alles in de wereld schoffeert. Het is de vermoeiende contradictie van de cynicus: dàt bespotten waar je zegt niet in te geloven (en die contradictie dan weer niet willen toegeven). Iemand om te vermijden dus. 
En dat doe ik dan ook al een week. Maar deze avond ziet hij toch zijn kans en zannikt zich mijn richting uit. We hebben net een idioot uit de hand gelopen zonsondergang achter de rug; staan met z’n allen volledig Zen, met de blote voetjes, in het warme zand; hebben een koud biertje aan de lippen en de zoete geur van rijpe mango’s waait gulzig onze richting uit. Ik kan me voorstellen dat als je dit elke avond meemaakt – en de kans is groot, op een eiland als dit – dat je dan niet meer in extase raakt. Zelf zoiets went. Maar om in die omstandigheden, in je eigen opgezette toko, die draait als een tierelier, bij een betalende gast even zonder censuur je discriminerende vuil op straat te zetten, vind ik onbegrijpelijk. En beledigend. Ten eerste is bij mij nog niet alles gewend. Ik leef nog steeds in een warme ballon van ‘overkomt mij dit alles hier echt?’ Maar belangrijker, ik wil met leuke mensen zijn. Mensen die in ieder geval iets meer geestelijke spankracht hebben dan deze kwezel. Maar goed, ‘het’ luiert zich zacht-weeïg mijn ruimte binnen om daar volledig ongevraagd zijn personeel te gaan afzeiken; in het engels, zodat zij het vooral ook kunnen verstaan (hij weet dat ik Duits versta en praat). Na wat inleidende kut-opmerkingen over deze vier jonge Filipino’s – die overigens, zo valt mij al dagen op, hun baas met een soort verdraagzaamheid benaderen, die je vaak bij ouders van een jankend kind ziet - bouwt hij het thema lekker discriminerend uit. Niet alleen zijn personeel, maar alle Filipino’s moeten het ontgelden. In feite, zo dwijlt het mijn kant op, klopt van dit hele klote land geen ene ruk; de regering is corrupt, mensen lui, infrastructuur waardeloos en respect voor een hardwerkende businessman nihil. Omdat ik besloten heb dit even zonder reactie aan te horen en dan naar mijn hut te gaan, denkt hij – ook gevoed door de drank – dat ik misschien in nog wat andere ideeën van hem geinteresseerd ben. Omdat ik uit ervaring haarfijn weet waar dit heen gaat, probeer ik af te ronden. Ik doe de suggestie dat hij dan maar weer snel naar Duitsland terug moet emigreren; beter voor hem, maar ook voor zijn personeel.
Ik schiet hem lekker vilein af, maar raak nog niets eens een lege barkruk.
Mijn Duitser gaat gewoon door. Hij begint over ras.
In feite is het zo dat als wij – ik vertaal: de Westerlingen – hier niet ooit de boel waren komen opknappen, dat ‘het’ – ik vertaal: de Filipino’s -  nog halve beesten zouden zijn geweest, levend in hutten, met 'no brains'.
Zo, die zit.
En nog steeds waar zijn Filipijnse personeel bij is, hè. Dat u niet denkt dat hij per ongeluk tactisch is geworden.
Nou ben ik niet iemand om meteen racist te roepen want dat vind ik even stompzinnig als zijn statement. Terwijl ik aan mijn eigen Filipijnse vriendin denk - maar ook aan een door mij geliefd persoon, die vanuit de verwarring van het hebben van te grote visioenen, elke aardbewoner met een donkerder huidskleur, dierlijke eigenschappen toeschrijft - overkomt mij in eerste instantie een onverwachte zachtheid in mijn gevoel. Het lijkt misschien vreemd - laten we zeggen dat het ook de exotische locatie is waar ik ben - maar ik kan meteen onderscheid maken tussen de persoon, een man waar ik à là minuut een hekel aan heb, en het achterliggende drama van zijn boodschap. Het zet mij – later terug in mijn hut – aan het filosoferen over die fascinerende clash van culturen op onze kleine planeet, waar deze man zo’n schrijnend en eenzaam voorbeeld van is.
Deze man - zo fantaseer ik – kwam niet hierheen om Aziaten uit te persen en groot geld te maken. Dan was hij allang vertrokken en niet zo cynisch. Nee, ik denk dat hij – net zoals veel westerlingen - met een soort ideaal van Verlichting en ondernemingszin deze kant uit gezworven is en moest ontdekken dat de werkelijkheid niet altijd wacht op het Mooie Gelijk van de Zelfontplooiing, waar wij Westerlingen zo’n behoefte aan hebben. Een botsing dus tussen de – zoals meestal - gehaaste verlichtingsdrang van het individu en de veel tragere bewegingen van een volksaard. Misschien is zijn verdriet wel gaan imploderen tot grimmig cynisme en een gebrek aan zelfkennis heeft dat niet kunnen verheffen.
Ik heb een soort elementair begrip voor westerse mensen die in de verwarring leven dat hun cultuur de beste is en dat wij er vooral zijn om andere volkeren op te voeden. Misschien ben ik naïef, maar ik geloof, dat in dit soort glibberige meningen – zelfs die, waar mensen met dieren worden vergeleken – vaak ook naastenliefde schuilgaat. Het is echter een naastenliefde, die uitgaat van een ‘Waarheid’. Maar een waarheid is al weer verleden tijd op het moment dat het een waarheid wordt, terwijl de werkelijkheid maar door dendert en verandert.
Ik begrijp die Sehnsucht wel, dat Wagneriaanse, dat mystieke en zo gevaarlijke koordansen tussen Grootse Idealen en puur racisme. Ik denk dat je dat bijvoorbeeld ook bij de Nazi’s ziet. Volgens mij waren het niet alleen duivelse klootzakken, die binnen de Nazi-partij de energie achter Hitler volgenden, maar ook mensen die vol liefde en hoop zaten voor de cultuur en het uitdragen daarvan aan iedereen die zij een betere toekomst wensten. Maar als de tijden verwarrend zijn en het oude Europa plaats maakt voor het nieuwe licht van technologisering en globalisering, vluchten mensen in de schoot van het veilige ‘vroeger’, waar afkomst en ras nog direct verbonden is met het bewustzijn van de geest. De ontkenning dat dat verbond geen rechtsgeldigheid meer kan hebben in de 20ste eeuw, zorgt voor een onherstelbare schade. Wat zich had kunnen richten als inspiratie voor een nieuwe wereldcultuur, werd nu vervormd tot een duivelse manipulatie ter behoud van de eigen cultuur. En dan hoef je maar één man met een gek snorretje te hebben, een dubieuze schuldlast, een gefrustreerde volksaard en wellicht een mysterieuze macht achter de voorhang en opeens krijgt je ideaal een metalen pak, met een geweer en ga je over mensen heen lopen en ga je ze zelfs uitroeien.
Of veel en veel minder erg, maar toch schrijnend: je wordt cynicus op een van de bloedmooie eilanden op deze schitterende planeet en wil het licht in die ander niet langer respecteren en onderzoeken.
Ik denk dat elke nieuwe tijd weer laat zien hoezeer constructie en deconstructie met elkaar verbonden zijn. Het is als de schaduw, die automatisch gebaard wordt als nieuw licht verschijnt. We zijn er bang voor en dat is menselijk. Want die schaduw is corrupt, vervuilend, bedreigend en stampt als een baby om zich heen. We hebben nog niet geleerd om hem onder controle te houden en geven dan gezagdragers, religie’s of andere culturen de schuld.  Maar essentiele zaken moeten soms tegen de grond om ruimte te maken voor expressies van een nieuwe tijdsgeest. En om temidden van dat nieuwe en onbekende licht - waar het  besef van je eigen eindigheid op zeker moment ook nog eens zo schrijnend helder afsteekt en je verblindt voor het grotere beeld - ook nog te durven toegeven dat er geen Waarheid bestaat – en zeker niet jouw waarheid; eentje die je een heel leven met veel pijn door verlies, hebt opgebouwd -   is niet makkelijk. Voor niemand.
Ik denk dat deze fundamentele angst nergens duidelijker de kop opsteekt als in de harde, maar ook hoopvolle confrontatie van culturen, genaamd globalisering. Het wordt geleid door nieuwe energie en licht, maar maakt ook zaken kapot en sommige mensen vertwijfeld en cynisch. En soms zelfs duivels.

Trouwens, nog even terug naar mijn getergde Duitser.
Die moest op het eind nog even wat anders kwijt. En hij was nog niet eens aangeschoten, zal ik maar zeggen. Bij het onderwerp ‘Marcos’ beweerde hij dat je dat wel vaker ziet bij volkeren met ‘no brains’ en een dierlijke neiging.. dat ze gevoelig zijn voor dictators.
Het was aan mijn allerlaatste restje naastenliefde te danken dat ik me in bedwang kon houden en hem, na deze verbijsterend dom geplaatste opmerking, niet keihard met klakkende schoenzolen de Hitlergroet gaf; Mitten ins Deutsche Gesicht. Ik slikte alles wat mij later had kunnen beschamen over mijzelf wijselijk in en stond demonstratief op. Ik herinnerde ik hem kort aan het feit dat mijn vriendin Filipina was; dat zijn personeel onder gehoorafstand stond; maar bovenal dat ik me op dit ogenblik schaamde voor mijn blonde haar en blauwe ogen. Daarna verdween ik het strand op.
Twee dagen vermeed hij mij. Daarna pakte wij de draad weer op. Schuchter en zaadloos praatten wij over het even lekkere als goedkope Filipijnse San Miguel-bier en de op dat moment aanhoudende regen.

Het idee dat onze cultuur eigenlijk als maatstaf geldt voor de wereld en dat onze manier van denken de juiste is, zit diep in veel Westerse mensen verscholen, ook in mijzelf. En ik denk ik in meer mensen. Ik had die avond in ieder geval veel om over na te denken. Dus ik kan die eenzame, depressieve keizer, op zijn afgelegen eiland, wel met zijn eigen verleden om de oren slaan, maar eigenlijk verwoordt hij, zonder de politieke correctheid van de intellectueel, het gecompliceerde hooglied van de Verlichting.



De Mango

Vandaag, beste lezers, ga ik los op de mango. Los op de mango? Ja, de mango. Nou ja, de Filipijnse mango dan. Die gele, ovale, zacht-huidige vrucht die je voor minder dan een halve euro letterlijk overal op de straten van Manila en de eilanden kunt scooren – als je er al niet over gestruikeld bent, zal ik maar zeggen. 
Nu denkt u: 'Oh.. maar ik ken de mango. Die hebben wij ook in Nederland. Niet te hakken, maar wij hebben hem'. Ja, dat dacht u. Ten eerste ‘hebben’ wij hem niet, want wij importeren hem. Ten tweede is het geen mango. Waar het ding vandaan komt weet ik niet, wie het heeft ontworpen weet ik ook niet, maar een mango is het niet geworden. U koopt deze vrucht voor een belachelijk hoge prijs in onze supermarkten en probeert hem thuis een soort van te snijden. Tja, op zich gaat dat wel, maar we verwachten van een ’exotische’ vrucht veel 'nat' en 'zacht' en dat zit er dus niet in; 'leem', 'leer' met een raar smaakje. En na al die jaren denken we met z'n allen nog steeds: 'Ja maar ik pak elke keer een onrijpe'... En dat het dan ooit een keer goed komt... Nou, vergeet het maar. Het ding is gewoon zo! Volgens de beproefde Albert Heijn methode kleden we ook dit schamele product aan met onze eigen verwachtingen (en met teveel euro’s) en noemden het ‘excellent’.
Met dat idee ging ik voor de eerste keer logeren bij mijn Filipijnse vriendin thuis, in Manila. In de supermarkt liep zij meteen naar..? De mango's.  Logisch voor haar,  maar ik zag die dingen gewoon niet liggen. 
'Mango’s? Ben je gek. Gatverdamme!' 
‘Maar, Ingmar...’ 
‘Ja dat zal wel, Giean. Geef mij maar een ice-tea’.
Ik was eigenwijs. En zoals wel vaker in onze relatie, wachtte zij rustig af en toen ik de volgende ochtend in de keuken kwam, presenteerde zij mij - lieve lezers, ik krijg alweer kippenvel als ik het type –mijn eerste echte Filipijnse mango.
Over mijn bevindingen met deze duivelse vrucht, deze ‘Gouden Stouterd’, jawel, wil ik u vertellen.

De Filipijnse mango is platter – als een ingedeukte ovaal – en met een crème-gele zachte huid. Je moet Filipino zijn om precies het moment te weten waarop je hem nuttigt. Er is namelijk maar één moment in het rijpingsproces dat geschikt is voor die speciale mango-ervaring, die ik later uitgebreid aan U ga onthullen. Ben je een uur te vroeg of te laat – ik overdrijf niet! - dan kun je hem wel eten, maar daar blijft het dan bij. En dat is jammer. 'Eten' is namelijk iets te berperkt, als het om de Filipijnse mango gaat. Mijn vriendin heeft op een regenachtige avond het geheim van ‘het juiste moment’ aan mij onthuld. Ze praatte een uur onafgebroken. Ik luisterde. Daarna dronken we thee en waren samen stil.. Afijn, ik geef kort uitleg. Is de mango geel/groen dan kan hij wel gegeten worden, maar met zout. Dat is heel iets anders. Wordt hij dieper geel en kun je hem een beetje indeuken, dan bent u nog steeds ietsjes te vroeg, maar begint hij hier en daar een bruin plekje te vertonen, geloof me, dan is het kopen, naar huis rennen en happen. Waarom zo’n haast? Wel, voor je het weet is hij al bruiner en ben je te laat. (En nu heb ik het nog niet eens over de tien andere mango-soorten die het land kent en die weer zo hun eigen verhaal hebben)
Dit is de simpele uitleg. Maar het gebeurt mij na al die jaren nog steeds dat ik boven de mango-bakken in de supermarkt, met de air van een gevorderde, mijn hand laat zweven en een mango pak, in de vaste overtuiging beet te hebben en dat mijn vriendin hem dan met een moederlijke glimlach uit mijn handen neemt, terug legt, de mango ernaast pakt en met ‘Deze, Ingmar’ mij gegeneerd achter laat. Mijn ogen bedriegen mij niet en de mango die zij pakt ziet er precies hetzelfde uit. Maar ik heb het al afgeleerd me daar druk over te maken. Filipino’s hebben met hun mango’s een connectie, zoals wij met  aardappelen. Valt niet uit te leggen.

Als U aan dat lullige hoopje excuus - genaamd ‘mango’ - in onze eigen Nederlandse schappen denkt, kan ik me voorstellen dat u op dit punt nog verwacht, dat het eten van de Filipijnse mango een kwestie van opensnijden en slikken is. Zeker, er zijn speciale snij-technieken, die het iets makkelijker maken het ding zonder overstroming over je broek naar binnen te werken en die werden mij dan ook door mijn keurige Filipina aangeleerd. We hadden daar natuurlijk veel lol aan en haalde heel wat gekkigheid uit. Maar toch voelde ik mij daar uiteindelijk niet lekker bij. Ik deed de mango geen eer aan. Het was alsof ik seks had met een regenjas aan; het is nat, maar je blijft droog.
Toen ik een jaar later vier weken op een afgelegen eiland in de Filipijnen zat, de hele dag half naakt in vijfendertig plus rond liep en niemand mij zag, werd er in mij iets wakker , dat uiteindelijk leidde tot een benadering van de Filipijnse mango, die mijn leven, mijn opvattingen over mijzelf en mijn seksleven volledig veranderd hebben.
Sindsdien verkeer ik in een intieme relatie met deze kletsnatte vrucht en ga ik U nu uitleggen hoe u haar moet nuttigen.

U koopt de mango op elke straathoek in de Filipijnen. Maar ik adviseer u naar een supermarkt te gaan. Waarom? U wacht daar op een oud Filipijns vrouwtje, dat tussen de bergen mango’s die daar liggen gaat scharrelen. Zodra zij er een in haar wagentje legt is mijn advies: jatten en afrekenen. Op eigen gevoel afgaan is onbegonnen werk. Het kijkt vreselijk nauw.
Thuis trekt u alle stekkers eruit en zet uw mobiel op stil. Focus is essentieel. U loopt met de mango naar de gootsteen, wast de handjes en het gezicht en na nog een korte blik op haar geworpen te hebben – aaien mag – pelt u de mango met de handen open. 'Met de handen open pellen?' Ja, met de handen open pellen. 'Maar je kunt een mango toch niet met de handen open pellen?' Nee, omdat dat gênante groene ding in de Albert Heijn geen mango is; daar ga je met een scherp mes nog niet doorheen, looser.
Afijn, U pelt haar open. Daarbij gebeurt nog niets anders dan dat een licht geribbeld, ogenschijnlijk wat stug en draderig vruchtvlees tevoorschijn komt. Laat u niet verwarren. De ervaring die u gaat hebben is verre van stug en draderig. Dat voelt u al als u de gepelde mango in de volle hand neemt. Hij past er precies in en is, in weerwil van zijn uiterlijk, drijfnat, goddamn als ik eraan denk..Hij glijdt bijna uit uw handen van genot. Kelere!
Het is nu van belang de juiste lichaamspositie in te nemen. 'Lichaamspositie?' Ja, lichaamspositie. De gehele mango-ervaring hangt hier vanaf. Ik mag zelf daarbij graag wat overdrijven en ontbloot vooraf het bovenlijf. Is dit overdrijven? Jazeker. Maar niet geheel ten onrechte, zoals u spoedig zult lezen. U buigt nu voorover zodat het hoofd in het midden van de gootsteen hangt.
En wat nu volgt is meer psychologisch van aard. In feite komt het hier op neer: u laat los. Mentaal dan. U laat los wat u heeft geleerd over conventies; hoe gedraag ik me, ook boven een gootsteen; mag ik mijzelf wel bevlekken; wat zullen de buren er wel niet van denken? Maar ook de verschillende aangeleerde opvattingen over voedsel, als dat het bijvoorbeeld slechts zou dienen voor het gezond houden van uw lijf. Allemaal onzin. Kijk, die mango is een vrucht dus dat zit wel goed; het ding staat stijf van de vitamines. Nee, het is van belang dat u de mango nu niet langer meer ziet als ‘eten’, of als een ‘vriucht’. U laat dat idee los. De mango wordt niets meer en niets minder dan een object om te ‘bezetten’. En het is hier dat er onvermijdelijk een seksuele gevoel loskomt. Kijk, we praten niet meer over die gecastreerde groen/rode aanfluiting die wij in Nederlandse winkels kopen. We praten nu over de Filipijnse mango. U maakt uw geest leeg en beschouwd dit niet meer als eten, maar als ‘nemen’. Oraliteit wordt hier verheven tot een uiterst natte, warme en zoete uitbarsting van totaal-acceptatie. Krijgt u al natte oogjes? Goed zo!
U doet uw mond nu wagenwijd open en plaats uw tanden in het, wat u nu nog beschouwt als stug en draderig, vruchtvlees. Wat vervolgens gebeurt is gelijk aan een Shakespeare sonnet, een cellosuite van Bach, de Sacrada Familia en de blauwe periode van Picasso. Uw tanden zakken onverwacht krachteloos in drijfnat oranje. De mond vult zich met een zoete, licht penetrante substantie. En nu komt ie: u kauwt niet maar ook weer wel. Verwarrend? Wel, u kauwt maar maakt het niet af. Waarom? Tijdens het kauwen ‘ruiken’ wij met onze mond. We doen iets met de holte van onze mond, waardoor geuren in onze neus terecht komen, of zoiets. Ik heb er geen verstand van maar dat maakt verdomme niet uit ook! Maar het niet afmaken van het kauwproces zorgt ook dat u zich instinctief verheugt op de volgende hap. En dat terwijl u toch blijft hangen in de fase waarin het heerlijke vruchtvlees zich vermengt met de door deze waanzinnige penetratie veroorzaakte overvloed aan speeksel. U geniet dus op twee niveus van het hele gebeuren.
Lekken.
'Lekken?' Ja, lekken. Laat alles lekker lekken. Daarom hangt u per slot van rekening boven die gootsteen, niet waar? Het lekken heeft twee functies. Ten eerste is het onvermijdelijk, want de vochtontlading van de mango zelf, plus de bijna obscene vochtproductie in uw mond is totaal niet opgewassen tegen uw beperkte mondinhoud. Maar veel belangrijker, het dient een psychologisch doel: overgave. Pure overgave. U geeft zich over aan de vrucht en heeft het niet meer in de hand. Nog beter: u geeft zich over aan Een Ervaring. U kunt zich niet meer netjes gedragen. De mango dwingt u zich te laten gaan op een vlak waar u meestal in controle bljft.
Lekken dus.
Nu slikken. Slik langzaam en probeer, zoals ik al eerder zei,  niet alles keurig te kauwen. Laat half brokken, half vloeistof langzaam uw keel in glijden en ervaar elk moment die heerlijke zoete smaak.
De volgende hap maakt u snel daarna. Terwijl de eerste hap uw keel indruipt, hapt u alweer een tweede keer, zodat er een soort vochtige cirkelbeweging van inname, verspreiding en slikken plaatsvindt. U en de mango ervaren zichzelf als één groot, nat, gulzig orgaan. Ook dat is weer psychologie, alsof u uzelf vertelt: 'Ik kan me niet inhouden, ik moet gulzig zijn'. Deze trick of the mind zorgt voor een verhoogde mate van zelfacceptatie en dat windt u op.
Op een zeker moment komt u bij de pit.
O die pit! De pit van de Filipijnse mango, dames en heren, is platter; als een boomerang zonder knik. U gaat deze glibberige pit nu langzaam en vol overgave aflikken. Dit mag voor vrouwen dan iets makkelijker te accepteren zijn dan voor mannen, maar ik garandeer u, heren, dat met een kleine aanpassing in de fantasie, u uw eigen kleine, donker-zoete ervaring kunt oproepen, welke het droogzuigen van dit zeiknatte gebeuren prima ondersteunt. Geloof me.
Nadat u en de mango klaar zijn met wat onvermijdelijk een heerlijke ervaring was, laat u de pit in de gootsteen glijden. En wel: uit de mond (ik laat daarbij graag laatste druppeltjes mango mee lekken, terwijl ik mijn mond een beetje lullig laat openhangen. Allemaal psychologie!)
Maar nu komt ie: U wast uw handen NIET! U likt ze ook NIET af! U veegt ook NIET uw mond af – meestal verspreidt zich de mango over uw gehele gelaat en dat is prima. Nu loopt u druipend naar buiten, uw balkon op of tuin in. U blijft daar een paar minuten staan en laat elke gedachte of elk gevoel welke deze ervaring heeft opgeroepen in u opkomen. U mag ook huilen. Wat u daarna doet moet u weten. Ik zelf wil daarna direct seks met mijn vriendin, maar dit is allemaal subjectief.

Volgende keer wil ik het graag hebben over de Filipijnse banaan. En wie in de Filipijnen is geweest weet dat dit geen grapje is.



Wednesday, June 27, 2012

Mijn kapper is een beetje gek.

Mijn kapper is een beetje gek.
Dat is een conclusie die ik na een paar jaar toch moet trekken. Niet echt ‘gek’, maar ze is een beetje ‘vrolijk losgeklikt’.
Ze komt uit Letland, praat met zo’n lief Russisch accent, is rond de zevenentwintig en heel mooi. Zo’n slanke, bleek-doorschijnende engel uit een sprookje, waarin ze in stilte een sterveling bemint. Zo kijkt ze tenminste uit haar ogen als haar handen met een soort toevallige precisie om mijn hoofd zwerven.
‘Hoe wil jij iet hebben, iengmar?’

Ik heb nooit een normaal gesprek met haar. Er ‘hapert’ altijd iets tussen ons. Eerst dacht is dat dat door de taal kwam, want ze praat dus gebrekkig Nederlands. Later dacht ik dat ze misschien onzeker was. Na mijn eerste knipbeurt bij haar, vond ik dat ze mijn haar veel te kort had geknipt. Dat heb ik de keer daarop tegen haar gezegd. Die mededeling was vermoedelijk gelijk aan een lichte bomontploffing in het lieve landschap van haar fantasie; een plek waar ze volgens mij de helft van de dag existeert. Het kwam nooit helemaal meer goed tussen ons.
Nou is een gesprek voeren met je kapper natuurlijk altijd even een ‘dingetje’, tenzij je elkaar al lang kent. Eigenlijk is het de kapper die moet zeggen: ‘Zo, dagje voor jezelf?’ Die zin leren ze met hun opleiding want de klant kan er alle kanten mee op.
Zo niet mijn schone Letse. Zij waaierde die eerste keer vraag-loos om mijn hoofd en ik kon het opknappen. Dus begon ik over het feit dat er niet veel klanten zaten. Misschien niet zo handig, achteraf.
‘Iek weet niet. het ies best druk vandaag’.
Er zat slechts één andere klant.
Ik besloot mijn mond dicht te houden.
Later begon ik te merken dat als zij iets tegen mij zei of een vraag stelde en ik daar dan op inhaakte, zij vervolgens licht geirriteerd haar haar recht schudde en gewoon niet meer reageerde. Dit gebeurde eigenlijk steeds en zorgde ervoor dat er in mijn lijf een soort ongezonde spanning kwam te zitten.

Omdat ik voor knippen en niet voor praten kwam, zag ik geen reden om haar in te wisselen voor een normale kapper, ook al verhief zij het begrip ‘ongemakkelijke stilte’ naar een onnavolgbaar hoog niveau.
Overigens denk ik zelf achteraf, dat zij vermoedelijk in tien sprookjes tegelijk zat en zich van enig kwaad niet bewust was.

De laatste tijd begon zij zonder aanleiding in zichzelf te lachen en te antwoorden op een vraag die door niemand – ook niet door mij - gesteld werd. Bij elk ander had ik meteen aan een spoedige opname gedacht, maar ik werd geremd in die gedachte omdat ik mij in de alledaagse ruimte van een kapsalon bevond. Wie daar mag rondlopen met een schaar moet toch normaal zijn? Zij functioneerde en ik was een tevreden klant.
De voorlaatste keer dat ik daar zat was ze verstrooid. Ze liet dingen vallen en moest daar wat licht-hysterisch om lachen. Als ik bereidwillig mee lachte keek ze mij weer verbolgen aan. Kortom, mijn vertrouwde kapster zoals ik haar kende.

‘Iek ga dit weekend naar Arnhem’ zegt ze opeens.
‘Leuk, ga je shoppen’
‘Nee-hee. Het weer ies… hihihi… ik hoop dat  het niet regent’
‘Ga je wandelen dan?’ probeer ik.
Stilte. Ze pakt een andere schaar en gaat verder. Ik probeer het nog een keer.
‘Ga je vaak weekendjes uit?’
Geen antwoord. Ik ben bang dat iedereen in de zaak ons vreemde gesprek nu volgt. Zal wel niet, maar ik zweet me rot.
‘Heb jij ook wel iens, dat je fantaseert?’, zegt ze opeens, terwijl ze zacht, maar ongecontroleerd lacht.
Ik lach terug.
‘Dat je denkt dat je fantasie werkelijkheid wordt?’ praat ze door.
Ik schiet nu in de lach. Ik ben helemaal niet gewend dat ze een gesprek met mij langer dan twee zinnen volhoudt. Ik verruil schaamte voor de licht-vaderlijke insteek.
‘Wat leuk dat je dat zomaar vraagt. Tja, ik schrijf; als iemand wel eens in zijn fantasie zit dan ben ik het. Dus jij hebt dat ook?’
Geen antwoord.
‘Het ies in Letland nog steeds erg koud. Er ligt sneeuw’

Ik slik mijn volgende vraag maar in.
Onbegonnen werk.

Bij mijn laatste bezoek wordt ik door een ander geknipt. Op de achtergrond roddelt het verhaal in dertig versies mijn kant op.
Mijn vrolijk-getikte kapster is na een zeer mild-kritische opmerking van haar baas verstrooid en geirriteerd de kapsalon uitgewandeld en nooit meer terug gekomen. Ze werkte daar toch gauw vier jaar, maar ze hebben nooit meer iets van haar gehoord.

Als ze maar niet per ongeluk een kanaal is ingewandeld.

Tuesday, February 28, 2012

Donker Hardhout

Die hele crisis, hè.. en dat iedereen zo bang is dat we onderuit gaan. Ben ik nou de enige die steeds moet proesten als Matthijs weer zenuwachtig de ‘echte kenners’ ondervraagt?
Wat nou crisis…?
De ironie is, dat de groep die het echt moeilijk heeft in Nederland, juist die groep is die het verschil niet voelt, want zij leven hun hele leven al in een ‘euro-crisis’; zij hebben nooit een auto, een hypotheek, een bank en überhaupt geld gehad. En dat is toch waar wij Albert Heijntjes, hypotheek-aftrekkertjes en 130-jes de hele tijd een beetje om moeten huilen.. in onze trein die toch zo maar al twee minuten te laat is 'kut NS winterdienst fucking plaszak slechte aansluiting geen koffie meer aan boord kut kut kut derde wereld mentaliteit…'
(vindt je dit te grof? bezoek eens een perron)
Ik moest aan deze Ontzettende Medelijdertjes denken toen ik Ali B weer op volle en o zo authentieke toeren zag (wereldgast)  

Waar gaat dit zenuwachtige mondiale gezeef nou eigenlijk over? Ik denk dat het gaat over hoe je in zestig jaar heel veel leuke en lekkere dingen met elkaar bedenkt - Jamin in de overdrive - en daar smul je dan van... tot het moment komt dat je iets van dat snoepgoed moet loslaten. Of heel veel.
Dat is ongemakkelijk, zeker, maar geen ramp. Soms trap je te hard op het gaspedaal.
Volgens mij vinden we dat we in een crisis zitten omdat we precies denken te weten wat we ‘horen te hebben’ en wat we eventueel zouden ‘missen’. Maar die categorieën zijn gewoon bedacht en vaak niet alleen door ons. In ons echoën onze ouders en grootouders mee. En daar kunnen we niets aan doen, dat is natuur. Wij leren onze kinderen immers ook wat ‘bezit’ eigenlijk inhoudt. Maar ja, meestal denken wij bij ‘bezit’ niet aan basisvoorwaarden, maar aan toevoegingen. En voor de duidelijkheid, er is niets mis met bezit of genot. Maar het is ook niet meer dan dat. Het is niet zuurstof of water.
Onze crisis gaat over meubelen die zijn gaan doorzitten, niet over de vloer waar ze op staan. Dus wat is de ramp? Even alleen maar wit en bruin brood? Minder auto’s meer kinderen op straat? Even niet verhuizen en geen last van te weinig sneeuw op de piste…. of vijfendertig soorten ongemalen peper bij de appie (daar pest ik altijd daklozen mee. Strooi ik ze in zo’n lekkere kleurenmandala uit over straat en dan van: ‘Hé dakloze, dit is onze crisis. Likken jij!’ Vinden ze leuk, joh! Gooi ik nog wat Himalaya-zout in hun ogen. Krijsen als een kind zo blij. En ik ook hè, want ik verveel me verder dood)

Waarom moest ik aan onze 'crisis' denken toen ik Ali B voorbij zag toeren? Wel, omdat die jongens die hij onder zijn hoede neemt, me herinneren aan wat wij verloren lijken te zijn.
Toen ik klein was, hadden we bij ons om de hoek een struik staan met witte bolletjes. Ik was daar verrukt van. Zo’n bolletje hoefde ik maar heel licht aan te raken – met de top van mijn pink – en ‘plop!’ het spatte open! Wat een onrustige kracht, wat een ongeduld. Mijn verwonderde kinderbrein bedacht daar verhalen omheen, je wilt niet weten! Kent iemand die bessen? Als ik kinderen heb, zoek ik direct zo’n struik in de buurt.

Ali B brengt twee totaal verschillende mensen bij elkaar. Hij laat ze niet praten maar muziek maken. Geen gelul, maar gewoon over gevoelens, kwetsbaarheid, elkaar respecteren en dat soort dingen. En er gebeuren meteen kleine wondertjes. Heerlijk. ik moet dan altijd aan die besjes denken. ‘Plop!’ en het lekt lente! Maar er is meer. Het zijn jongens van de straat. Ze hebben rotte dingen geflikt en vaak komen zij of hun ouders ergens anders vandaan dan uit Nederland. U weet wel, die Untermenschen, waarvan wij stiekem vinden dat ze onze samenleving gevaarlijk en zwak maken en waar we die ster voor hebben; ‘Ich bin ein ‘Allochtoon’ (welke Nazi heeft dat woord trouwens uitgevonden en welke zwakbegaafden blijven dat nou nog steeds gebruiken?). Het is de groep die wij ooit ontzegden medeburgers te zijn en nu verwijten dat ze zich niet als zodanig gedragen. Ali B plukt de nazaten hiervan uit een studio, waar deze zojuist voor het eerst, met hun ballen, hun kloten en hun veel te grote kwetsbare hart over hun verrotte jeugd staan te dichten (en jezus, wat doen ze dat mooi!). Ze zijn net uit de Goot van Nederland gestapt, waar hun ouders en grootouders decennia lang door Links en Rechts in zijn gemept.

Niet zo lang geleden was een jonge, energieke man op tv. Hij sprak over een hele andere groep; de groep die het 'wèl' goed doet; de door ons genegeerde ‘Succesvolle Donkere Nederlander’. Even voor de duidelijkheid: bij ‘donker’ heb ik het over Moslims, 'Mediterranen', Afrikanen en ons hele Koloniale Verleden erbij.  Gewoon alles tussen couscous en een gebakken banaan. En die groep is groot! Hij hield een heel betoog, maar ik plaats het even in een beeld. De Succesvolle Donkere Nederlander is een Grote Boom. Aan de ene kant staan Wilders en zijn zwak-volgers te trappen en aan de andere kant staat links te janken met wollen dekentjes: ‘koud, groot boompje’. Ondertussen staat die boom in de negentiger jaren en daarna als een idioot te groeien en te bloeien, neemt sappen uit de aarde, verspreidt zuurstof, geeft heerlijke vruchten af.. kortom: hij is succesvol. Hij staat volop in de lente, met kracht, élan en engagement. En wij merken het gewoon niet op, want, ‘ze’ hebben een hoofddoek, dwepen met allah, met voodoo en familieclans, dus dat is ‘allochtoon’.
Maar het is toch echt gewoon een Nederlander, die volledig in onze samenleving functioneert en in alle lagen van het economische, politieke en culturele leven opereert als ieder ander. Al jáááren. Hij wordt wel zorgvuldig uit de media gehouden natuurlijk, want hij lijkt niet op de rotte appel waar we graag bang voor worden gemaakt, maar hij is een realiteit en houdt ons een spiegel voor.
Aldus hun officieuze woordvoerder.

Maar goed, Ali B richt zich op zijn broertjes en zusjes die niet zo succesvol zijn. Maar.. Ali geeft geen voorlichting, wollen dekentjes, vertelt niet over allerlei vage mannen-normen en vrouwen-waarden en checkt geen handbagage. Ali maakt gewoon… muziek. En dan gebeurt het hè, net als die bes; ‘plop!’ en ze openen zich om hun onrustige, eerlijke en gepassioneerde sound uit te storten en à la minute nieuwe vormen te creëren. Bijna geil, zoals zo’n plantje op National Geographic in versnelde modus; ‘tril, tril, tril… Bloem!’.
Dat zou zo maar een boom kunnen worden mensen, stel je voor!
En dan hebben we het alleen nog maar over één programma; dat van Ali B. Moet je je voorstellen als we er echt werk van gingen maken! Maar nee, wij spelen crisisje en terwijl wij janken bij de bouwval van ons zelf bedachte snoepgoed, hebben we niet door dat het niet over vormen, maar over intenties gaat; het huis staat op instorten, maar er ligt een nieuw fundament. Een fundament dat we zo meteen, tussen het stof en de afgekraakte planken, wel mòeten zien. Het is donker hardhout en ijzersterk. Het is onze multiculturele samenleving, met onze medebroeders die bruisen van engagement, die soms ontsporen, die vermengen, die ons soms verwarren, maar ook integreren. Ze bouwen onder ons gejank gewoon door, zoals onze ouders en grootouders in de jaren vijftig. Ze zijn gefocussed en opgewekt omdat ze alle levenskrachten om te groeien zelf hebben aangeboord. Ze zijn niet verwend, want het kan alleen maar beter. Zij zijn het fundament dat niet door ons hoeft te worden uitgenodigd te integreren. Wij worden uitgenodigd door hen om te ‘her-integreren’. En we zouden het moeten weten, want we doen het al eeuwen. Check je geschiedenis. Daar is de Nederlander groot in: herintegreren. Dat is namelijk de basis van die tolerantie van ons.

Herintegreren. Dat betekent; naar elkaars muziek luisteren - echt luisteren - niet naar de buitenkant kijken, maar gedeelde emoties erkennen en elkaar liefdevol coveren. Laten zijn wie je bent… dat soort cliché’s
Ali B, man, wat ben je een authentieke gast en ga vooral zo door!
Laat al die zenuwlijerende NS-kankeraartjes maar verder rollebollen in hun twee minuten te late treintjes. Laat Pauw en Witteman maar verder inkop-interviewen en de politieke gasten van Matthijs fastfood-babbelen, tot genoeg mensen doorhebben dat ze voor altijd en voorgoed naar gesprekstechnieken kijken. Laat de media maar verder zijn rol als Joker van de Koning spelen, zodat de grote meute zijn boosheid ongevaarlijk ejaculeert in de huiskamer en te bevredigd is voor zelfstandig overwegen en engagement in de arena.

In Tibet, hoog in de besneeuwde bergen zegt een leerling monnik tegen zijn meester: ‘Meester, zit Nederland zo diep in een crisis, dat ze ons Himalaya-zout moeten importeren, om te kunnen eten? Wat erg’. De meester kijkt zijn leerling glimlachend aan en spreekt: ‘Alle verwarring zit alleen maar in het hoofd. Er bestaat helemaal geen crisis’

Tuesday, February 21, 2012

Aussie en Philly

Op een dag, in mijn Filipijnse resort, krijg ik twee nieuwe buren in de hut naast mij. Een oudere westerse man met een jonge Filipina van ver beneden de consumeringsdatum. Later hoor ik: hij vijfenzestig en zij achttien. Er is altijd baas boven baas.
Ik heb, na een korte ontmoeting eerder die dag met haar, mijn zwaar vette mening al klaar liggen, maar wordt in de namiddag door een ongewild charme-offensief van hun kant in no time een paar biertjes ingeluld en ik blijf plakken. Alles om mij heen is zo azuur-blauw en hagel-wit en ik vind momenteel iedereen bijzonder.
We maken grapjes over onze moeilijke voornamen en ik hoor mezelf tot mijn stomme verbazing bijnamen voor ons bedenken; Aussie (hij is uit Australie), Philly (zij is Filipina) en mij noemen ze Ingie..
Weg politieke correctheid. Hallo foute vakantiehumor..
Net iets later breekt het snoer van mijn adapter af; hij is zo genereus om mij de zijne te lenen en ‘s avonds nodigen ze me uit om bij hen te eten. Zo snel gaat dat. Zij kookt heerlijk.

En zo zit ik bij een net ondergegane zon een biertje te drinken met hem, terwijl zij eten klaar maakt. En dan vertelt hij zijn verhaal; hoe hij zijn vriendin heeft leren kennen. 'Ik kom al heel lang in de Filipijnen. En altijd als sekstoerist. want dit is 'the place to be'. Ik rommelde wat hier en ik rommelde wat daar. Jij weet waar ik het over heb.'
Ik ga even verzitten en neem nog en lullig slokje van mijn bier. Wordt het zo’n gesprek.
Nou ja, dat rommelen.. hij kwam dan eens her en dan weer eens der, maar ook dat ene eiland daar en daar, ken je dat?
‘Nee’, zeg ik iets te kort.
Nou deze keer kwam hij dan ook daar en daar. En daar en daar is het Mekka, het Walhalla, nou ja, het ultieme neukparadijs van de Filipijnen. Jongen, een lange straat waar het allemaal gebeurt in café’s voor weinig geld. Makkelijk scoren en die meisjes.. nou ja, ‘Ik deed maar wat’.
ik houd mijn mond en ruik een verhaaltje.
Deze keer besloot hij een klein barretje te bezoeken aan het einde van de straat. Waarom? Geen idee. Hij ging naar binnen, dronk een biertje, tot een jong meisje, dat is dan Philly, hem in de gaten kreeg en meteen op hem afstapte.
‘Ze werkte er pas drie dagen en ik was de eerste man op wie ze afstapte. Ze was dus zo goed als maagd. Nou ja, ze heeft een zoontje van anderhalf. maar daar was dus niets van te merken. Je snapt me wel. Maar dat was dus het bijzondere; van alle mannen die ze had kunnen scoren, nam ze mij. Ongelofelijk he?’
Aussie kijkt me vol verwachting aan. Ik krijg het gevoel dat ik overtuigd moet worden van een krampachtige conclusie. Omdat ik niets zeg, meent hij een bondgenoot gevonden te hebben.
‘Ja en ik was dus in feite de tweede man in haar leven. Nou dat kon je voelen hoor. Lekker strak’.

Dit is dus het moment waarop ik moet weglopen. Maar in hun hut wordt mijn eten gemaakt en eerlijk gezegd ben ik te nieuwsgierig naar het vervolg van deze absurditeit.
‘Ongelofelijk hè,’ glimt Aussie, ‘ze ziet mij, twijfelt geen moment en gaat met mij mee naar mijn hotel. Dat is toch bijzonder?’
Ik zit met mijn biertje in mijn hand en ja, daar zit ik dan met mijn biertje in mijn hand. Is hij nou zo naïef of gelooft hij het echt zelf?
Maar we zijn er nog niet.
Ze hebben seks maar er is meer. Er springt bij onze Australier een vonk over. En niet zo’n beetje ook. Nou ken ik Philly ook twee minuten en ik moet zeggen, bij mij sloeg de vonk al over vóór ik haar zag. Wat een geil ding. Maar dat bedoelt onze Aussie niet. Nee, ben je gek. Het is een heuse, echte spirituele vonk.
Zo, het woord is gevallen.
‘Ik ben namelijk spiritueel. Ik ‘chant’ ook (…?) en ben ook hypnotherapeut. Ik zie trouwens dat jij op een tweesprong in je leven bent.’
(godverdomme, ga pokeren man.. iedere mafketel op dit eiland is op een tweesprong)
Nee, dan Aussie. Aussie voelt dingen, Aussie ervaart dingen. Man je wil niet weten. En dat gaat diep hoor. Hij wordt verliefd op Philly en wel meteen.
‘Ik ben vijfenzestig, maar heb nog nooit zo’n wijze vrouw ontmoet’
Nou bij haar springen ook de vonken ervan af. Zeker als Aussie voorstelt dat zij het kind bij de familie laat en met hem zes weken rondtrekt door de Filipijnen op zijn kosten plus extra kosten achteraf. Ach, ze heeft toch niets anders te doen en die bar.. dat zou op den duur toch niet echt een ontspannen werksfeer gaan opleveren. Dus zo gezegd zo gedaan.
Eerst krijgt Philly nog wel een acute urineleider ontsteking (ja, als je eenmaal een verhaal begint, moet je de details niet vergeten) en voor Aussie het weet, zit hij in het lokale ziekenhuis $250 te lappen voor zijn kakelverse, kreperende soulmate. Maar alles loopt goed af en ze gaan op weg. ‘En wat er sindsdien is gebeurd, man! De gesprekken die we kregen en hoe ze me leert om open in het leven te staan. Dit is puur karma. En de seks.. (hij gaat verzitten om zijn vijfenzestig jaar oude pik, die door zijn geratel is gaan opveren, ruimte te geven). Deze hele trip is als: man, wat overkomt mij! En ja, Jezus, welke dude van vijfenzestig kan nou zeggen dat hij een vriendin heeft van achttien. Hahaha…
‘Hoe vind je dat dan?’ Aussie kijkt mij met rode wangen aan. 
'Dat is toch geen toeval. Zo’n sterke band? Ik geloof in reïncarnatie en ik heb zomaar het vermoeden dat wij elkaar uit een vorig leven kennen’
'...'
Tja, Ik moet nu iets gaan zeggen dus het wordt zoiets als: ‘En hoe is het daarna met jullie verder gegaan’. 
Aussie kijkt mij verbaasd aan.
‘Huh? Nee, ik ken haar pas een paar dagen. ik ben net op vakantie. Man, dit wordt de mooiste reis uit mijn leven.’

Het begint langzaam tot mij door te dringen dat dit grote kind echt meent wat hij zegt en ik zwijg. Ik weet even helemaal geen bijpassende blik voor deze twister.
Maar Aussie maakt gewoon een doorstart met alweer een klinkende Viva-tekst: ‘Echt, ik heb het gevoel alsof ik in een totaal andere fase van mijn leven ben terecht gekomen met deze vrouw.' (en dat meent ie, want de volgende dag staat hij met dat vijfenzestig jaar oude lijf op zwaar foute tiener-dance te springen op zijn veranda. En ik verzin dit niet)
‘En dat leeftijdverschil joh.. Hoe zat het bij jullie ook al weer?. (o ja…shit ik bent weer een te snel te persoonlijk geweest in het begin zonder eerst te checken kut kutterde kut en nu kan ik niet meer terug)
‘Ehh.. zeventien jaar’ lispel ik.
‘Ja precies! Fuck leeftijdverschil! Daar gaat het echt niet om. Weet je, natuurlijk hebben wij geen toekomst (Zo, jij leert snel) maar je moet in het Nu leven joh. En dit meisje… weet je… ik ben vijfenzestig maar ik heb van haar al meer geleerd dan in mijn hele leven daarvoor (daar kan ik me onder de hand iets bij voorstellen). Ze weet me te raken met haar open hart. Dit meisje en ik..dat gaat over respect man. 
Lieverd, breng nog eens een biertje. Ja doe maar even nu, ja?’

Ik hoor hem aan en zie in mijn herinnering zijn spirituele zuster, zijn neukgodin en liefdesengel eerder die middag nog verveeld staan 'shoppen' bij mij, in mijn hangmat.. als hij even weg is.
‘Hoe lang zijn jij en je man al op pad?’ vraag ik, met de nadruk op ‘man’
‘ Hij is niet mijn man’ zegt ze iets te snel. Ze krult haar buik mijn richting uit. ‘Hij issehh..’, ze trekt haar lippen op, ‘hij is.. je bedoelt..’. Ze wijst naar hun hut. ‘Mwah..mijn ‘boyfriend’.. Althans.. wat ben je aan het lezen?’
‘Reizen jullie al lang?’ ga ik gewoon door.
‘ Ik ken hem uit een bar, waar ik werkte. Maar ik ging niet met klanten mee hoor. Hij is pas de tweede man in mijn leven met wie ik seks heb’
Ze kijkt me betekenisvol aan. Maar ik geef geen respons en opeens valt het doek.
‘Ik had bloed.. ' Ze wijst met een vies gezicht wat onhandig omlaag, naar onder haar buik. Ze is opeens zo heel erg achttien jaar..
‘Ik weet eigenlijk niet waarom ik met hem meeging’.
 ‘Aantrekkingskracht?’ vraag ik onhandig.
‘Mwah..’
‘Weet je al wat je hierna wilt gaan doen’
‘Ik wil niets. ik leef voor mijn kind’